De Kerk

HET BEGIN VAN HET CHRISTENDOM IN EUROPA.

Bij het begin van de middeleeuwen wist de Merovingische koning Clovis (Lodewijk) de Salische Franken te verenigen en gans de Romeinse provincie Gallië te veroveren. Hij werd de eerste Frankische koning. Rond het jaar 500 gebeurde er iets heel belangrijks in onze “Vaderlandse Geschiedenis”: Clovis bekeerde zich tot de katholieke godsdienst en liet zich dopen. De kerstening van Europa was begonnen.

We zijn nog eeuwen te vroeg voor een vrije godsdienstkeuze. In die tijd was de godsdienst van de koning meteen de staatsgodsdienst en werd opgelegd aan alle inwoners van zijn rijk.

Het Katholicisme zal in grote delen van Europa staatsgodsdienst blijven tot keizer Jozef II (de Keizer-Koster) dit in 1780 afschaft.

 

DE ONTSTAANSLEGENDE.

Aan het ontstaan van onze kerk is een legende verbonden. Deze legende verscheen als boekvorm in de eerste helft van de 19de eeuw onder de titel: “De oorsprong van het Hoofdaltaar der Kerspelkerk van Schellebelle”. (Kerspelkerk is een verouderd woord voor parochiekerk).

De legende verhaalt de belevenissen van ridder Hugo Papejans De Morchoven, heer van de vrijheerlijkheid Ertbrugge. (Tijdens het Ancien Régime vormde Schellebelle samen met Wanzele één bestuurlijke eenheid en die was opgesplitst in derden. De hoofdheerlijkheid bestond uit de twee derden en noemde “Schellebelle-Wanzele”, het andere derde “De vrijheerlijkheid Ertbrugge”. Deze heerlijkheid had ook het recht om 1/3 van de parochiale en gemeentelijk ambtenaren van de hoofdheerlijkheid te benoemen, recht op haar deel van de visserij in de schelde enz.). Als overtuigd christen nam hij deel aan de vierde kruistocht (1202 tot 1204), maar op de terugweg werd hij door Saraceense zeerovers gevangen genomen en opgesloten. Hugo Papejans was een zeer godsvruchtig man, zo slaagde hij er in om, in gevangenschap, de dochter van de moslimhoofdman te bekeren. Jarenlang kwijnde hij weg in diens kerker. Op een dag beloofde hij aan God een kerk te bouwen op de plaats waar hij het eerst zijn geliefde Schellebelle zou terugzien. Daarop werd hij, op een kerstnacht, door een engel uit zijn boeien bevrijd, door de lucht meegevoerd en thuis aan de oevers van de Schelde neergezet.

Uit dankbaarheid liet hij op die plaats het kerkaltaar bouwen.

 

Het gaat hier natuurlijk over een fantasierijk en fantastisch verhaal. De familie Papejans De Morchoven kwam maar in 1759 in het bezit van de heerlijkheid Ertbrugge en in de familie komt de voornaam Hugo nergens voor, daarenboven staat het kerkgebouw niet op het grondgebied van de heerlijkheid Ertbrugge. Tevens zijn we er van overtuigd dat er al vóór de vierde kruistocht hier een kerkgebouw stond. Maar deze legende verwijst wel naar de heilige Gaugericus (Goorik) die tot 1681 de patroonheilige van onze parochiekerk was. Deze heilige zou door gebed vele gevangenen uit hun kerkers verlost hebben.

 

DE OUDSTE VERMELDING.

Het boek “De kerk in de middeleeuwen” vermeldt dat in de 7de eeuw op de plaats van het huidig kerkgebouw Romeinse voorwerpen gevonden werden. Was dit ter gelegenheid van het oprichten van een kerkaltaar? Daar hebben we het gissen naar.

In hun geschriften vermelden Frans De Potter en Jan Brouckaert dat in bedelbrieven uit 1019 en 1030 van monniken uit de Gentse Sint-Baafsabdij te lezen staat dat “de kerken van Uitbergen, Schellebelle en Massemen door de Noormannen geüsurpeerd zijn”. Vanaf 820 komen de Noormannen onze stromen en rivieren opgevaren. Tussen 840 en 860 wordt Vlaanderen voortdurend overvallen en vanaf 879 houdt ‘het grote leger’ grote delen van Vlaanderen bezet.

Begrijp uit de tekst dat het hier niet over het kerkgebouw gaat, wel dat de Noormannen zich de inkomsten van de kerkgemeenschap, de parochie, toegeëigend hadden. Natuurlijk deden de Gentse monniken hierover hun beklag: ze waren een gedeelte van hun inkomsten kwijt. Hieruit kunnen we veronderstellen dat, daar waar er een kerkgemeenschap was er ook een bidplaats of kerkaltaar zal bestaan hebben.

 

In het begin van de christianisatie waren de meeste landheren volle eigenaar van het kerkgebouw. Men sprak dan van “eigenkerk”, “herenkerk” of “domaniale kerk”. Als eigenaar had die landheer het recht om bij de bisschop een geestelijke voor te stellen die de kerkvoogd moest aanvaarden en aanstellen. Dit werd patronaatsrecht genoemd. Naast de blijvende zorg voor de nodige inkomsten tot onderhoud van de priester en het kerkgebouw, moest de dorpsheer ook instaan voor de armenzorg.

Om hierin allemaal te kunnen voorzien beschikte de parochie - volgens de voorschriften van Karel De Grote (8ste eeuw) - over een groot deel van de tienden: de belastingen op graan en op zowat alles wat verkocht werd. Daarvan moesten wel het kerkgebouw, de pastoor en de armenzorg (het OCMW) onderhouden worden.

Vanaf de 14de eeuw werden de kerken stelselmatig overgedragen aan de bisdommen. Zo werd de “eigenkerk” van Schellebelle in die tijd overgedragen aan het bisdom Kamerijk.

 

De oudste kerkvermelding die we terugvonden dateert uit 1148, maar waarschijnlijk stond het gebouw er al enige jaren. In 1200 is er een geschil over “de visserij en de veerpont over de Oude Schelde”. Die “Oude Schelde” - de huidige Bellebeek - was toen aan het dichtslibben. Oorspronkelijk maakte de Schelde daar een grote noordelijke bocht naar Kalken. Het feit dat die meander aan het dichtslibben was duidt er op dat de Schelde al vroeger op een natuurlijke manier haar loop verplaatst had en daar zullen wel een paar jaar overheen gegaan zijn. Het is niet zo verstandig een gebouw vlak naast een onbedijkte stroom te plaatsen, want - zoals verder ook zal blijken - is de Schelde er verantwoordelijk voor dat in 1826 een gedeelte van dit gebouw bijna instort en moet afgebroken worden.

Zicht van op het Dorp, rond 1950.
Zicht van op het Dorp, rond 1950.

Die zorg over het ondermijnende water van de stroom is een voortdurende strijd en de kerk (de kerkfabriek) was hiervoor verantwoordelijk. Uit een document van 1787 blijkt dat bij: lasten waer mede de  kercke verbonden is ook het onderhoud van de Scheldedijk achter de kerk begrepen is:


Item voor het slaen van pilotten en / het leggen van steengruys aen het kerckhof / om te beletten dat den stroom van de / schelde niet en soude weghnemen den / gront daer de fondamenten van de kerck / opstaen op een gemeijn jaer van thin                  30        0    (75177).

Zicht van over de Schelde, anno 2005.

CHRONOLOGIE.

In de loop der jaren heeft onze kerk verwoesting, plundering, brand, instorting, afbraak, uitbreiding, blikseminslag en diefstal doorstaan. Vooral de godsdienstoorlogen van de 16de eeuw waren rampzalig.

- De basisstructuur van onze kerk, zoals die er nu uitziet, werd gelegd in de 14de eeuw. In oorsprong was het een éénbeukig gebouw met twee kruisvleugels en een vieringtoren.

- De klokkentoren is nog vrijwel origineel (14de eeuw) en is 45 meter hoog.

- Op 26 augustus 1567 trok een bende krijgsvolk van 3000 man plunderend door ons dorp. Hierbij mishandelden ze de bevolking en brachten zowel aan gebouwen als aan gewassen veel schade toe.

- Op 6 oktober 1580 werden de Malcontenten (katholieke edelen die de Spaanse kroon trouw bleven) door de Gentse Calvinisten uit het “Bellekasteel” verdreven, waarna de ganse dorpskom en de kerk werd platgebrand. Naar we vermoeden bleef alleen de toren en het koor nog over.

- In 1587 vielen twee compagnieën Duitsers ons dorp binnen. Ze stormden met geweld de huizen en pastorij binnen, braken de herstelde kerkdeuren open en roofden alles wat waarde had.

- In 1601 hing er een klok in de toren, zeer waarschijnlijk de kleine ‘Angulusklok’. Toenmalig kerkmeester Pieter vanden Abbeele ontving twintig schellingen groot om de klok te luiden. Noch betaelt aen pieter van(den) abbeele / kerckm(eester) (…) / Noch ghegheven aen(den) selv(en) om de clock / te betaelen  xx sg (75366).

- De inventaris van het kasteel, opgemaakt in 1696, vermeldt: Een octrooi voor de herstelling van de kerk van Schellebelle in het jaar 1612, voor 400 pond groot van de hoogedele Aartshertogen Albrecht en Isabella. De uitvoeringsbesluiten werden van kracht in de zomer van 1613  (75015)

- De Gentse bisschop Triest had de gewoonte om al zijn parochies te bezoeken en er een verslag van te maken. In 1623 schreef hij dat de kerk nog maar nauwelijks hersteld was. Ook nog: Coemiterium bonum et amplum sed videtur retro chorum absorberi a flumeni Schaldi. (Het kerkhof is goed en ruim maar achter het koor schijnt het afgevreten te worden door de stroming der Schelde). En later: Coemitaerium et ecclesia minantur ruinam qui(a) ejus fundus absorbetur a flumine. (Het kerkhof en de kerk worden bedreigd door instorting omdat de grond opgeslokt wordt door de stroom) (75321).

Ook uit de volgende verslagen bleek dat het kerkgebouw en het kerkhof zich in een abominabele toestand bevonden. Hij vermeldde ook dat er een torenuurwerk was en dat was in die tijd toch zeer uitzonderlijk, de meeste dorpskerken hadden dat toen nog niet.

- In 1675 werd de kerk met een zuiderbeuk vergroot in Lediaanse zandsteen. De gewone ingang bevond zich toen in het midden van die beuk.

- In 1681 werd de kerk heringewijd. We veronderstellen dat het gebouw toen (100 jaar na de verwoesting) volledig hersteld was. We kregen ook een nieuwe parochieheilige: Johannes de Doper.

- In 1697 werd er nog maar eens zwaar gevochten aan het kasteel: Brandenburgers werden door de Fransen uit het kasteel verjaagd. Terug was er heel wat schade aan het kasteel, de kerk en de huizen op het dorp.

- In 1738 deed de vierschaar (gemeenteraad) een aanvraag aan het hospitaal Ganthois te Rijsel om een grote kerkklok in de kerktoren te hangen (het hospitaal Ganthois was een hospitaalklooster op de Compostellaroute, in 1462 te Rijsel gesticht door de Gentenaar Jean Ganthois). Omdat hieraan geen gevolg gegeven werd besloot de raad op 7 augustus 1738 om een proces in te spannen. Het hospitaal Ganthois was in Schellebelle een grote tiendenheffer en moest voor de kosten instaan (75124). Of de grote klok er toen ook kwam is vooralsnog onduidelijk. Zeker in 1792 hing er een grote kerkklok in de toren. 

- In 1776 werd het kerkorgel gebouwd door Pieter en Lambertus Van Peteghem, familieleden van gerenommeerde orgelbouwers.  

- Uit een tekening van 1783 blijkt dat de ingang in het midden van de zuidbeuk dichtgemetseld is en naar de zijkant verplaatst werd. Deze ingang functioneert sindsdien als hoofdingang. 

Kerk en kerkhofmuur, 1783 ( 75055).

- De grote kerkklok werd op 28 juli 1792 gegoten door meester Simon van Bergen. Deze werd in 1921 te Leuven hergoten voor de som van 3.200 Bef. (AM familiekroniek).

- In 1795 werden de Zuidelijke Nederlanden ingelijfd bij Frankrijk. De kerkelijke goederen werden in beslag genomen en priesters moesten een eed van trouw aan de Republiek afleggen. De toenmalige pastoor, Petrus Cornelis de Rongé, weigerde. Uiteindelijk sloot in 1801 de Franse keizer Napoleon Bonaparte een overeenkomst met de paus (het concordaat van 15 juli 1801, afgekondigd op Pasen 1802). Hierin werd overeengekomen dat alle kerkelijke bezittingen staatseigendom bleven maar de nog bestaande kerken aan de bisdommen teruggegeven werden. (parochieregister 1803).

- Door het ondermijnende Scheldewater dreigde in 1826 de noordelijke kruisbeuk in te storten zodat men die dringend moest afbreken. Daarna, in 1828, werd een grotere zijbeuk aan de kerk gebouwd. Een twintigtal jaar later, in 1849, is het weer zover. Andermaal dreigt de beuk in het water te storten. Er komt een houten staketsel om ze te stutten. Bij hoogtij kwam het Scheldewater regelmatig tot aan de kerkmuur.

- Woensdag 4 september 1867 sloeg de bliksem in op de kerktoren. Aan de zuidkant werden schaliën en dakplanken weggerukt en op het doksaal werd een balk verbrijzeld. Schade ongeveer 1.000 Bef. De kerk was niet verzekerd (AM familiekroniek).

- De nieuwe sacristie werd gebouwd in 1866. Op 20 december 1866 is er melding van een inbraak in de nieuw Sacristy. Er werden kerkgewaden gestolen ter waarde van 90 Bef. (75277).

- De zondag 15 juli 1866, werd de kruisweg, geschilderd door Mr Zorgeloos te Gent, plechtig ingehuldigd. Hij werd geschonken door Bernard Van Damme en kostte met de kaders ongeveer 1200 Bef. (AM familiekroniek).

- Het huidig torenuurwerk is van 1898 en werd vervaardigd door Pieter Vertongen uit Oudegem.

(AM familiekroniek).

- In 1904 werd het klein portaal aan de ingang langs de zuidbeuk aangebouwd, naar men zegt met afbraaksteen van “De Mote” (de witstenen duiventoren van het vroeger kasteel van Ertbrug). In 1927 werd het portaal herbouwd en werd een beeldje van Sint-Cornelius in een nis boven de ingangsdeur geplaatst.

In dit portaal bevond zicht vroeger een kevie waarin offerdieren voor Sint-Cornelius gestopt werden (verdween in 1969). Deze dieren werden na de hoogmis bij opbod verkocht.

- In de 1ste WO werden de toenmalige glasramen vernietigd door Duitse granaten. Tussen 1922 en 1940 werden nieuwe gebrandschilderde glasramen aangebracht, allemaal geschonken door de belangrijkste Schellebelse families.

- Op 28 mei 1923 werden rond het kerkhof zes staakkapelletjes ter ere van Sint-Cornelius geplaatst. Deze werden in 1936 naar Sint-Cornelius Horebeke overgebracht en vervangen door zes nieuwe kapelletjes met beeldhouwwerk in witte zandsteen.     

- Op 7 augustus 1926 vond er een aanbesteding plaats om de dakbedekking van de kerktoren te vernieuwen. Kostprijs: 7.544,82 Bef.

- Rond 1930 werd het schilderij “De Aanbidding der Wijzen” (toegeschreven aan Gaspar De Craeyer) aan een Brussels bankier te koop aangeboden. Deze rook onraad en de verkoop ging niet door.

- In de 2de WO werd op 27 september 1943 de grote kerkklok door de Duitsers gestolen om er kanonnen van te maken. Ze kwam niet meer terug. De huidige grote klok werd door de firma Michaux te Leuven gegoten, weegt 1045 kg en is in augustus 1948 plechtig ingewijd.

- In 1956 werd achter de kerk een nieuw kerkhof aangelegd, tevens beoogde men hierdoor de noorderbeuk beter tegen het Scheldewater te beschermen. Bij die gelegenheid werd het kerkhofhek verwijderd en niet teruggeplaatst.

- In 1956 en 1965 werden renovatie werken uitgevoerd. De plannen om het dak te vernieuwen werden getekend door architect Valère Raman, woonachtig in de Wettersestraat.

- In 1964 werd de torenhaan vervangen. De nieuwe haan is vervaardigd uit roodkoper belegd met bladgoud en werd gemaakt door smid André Tavernier uit de Hoekstraat.

- In april 1987 werd de verzilverde godslamp ontvreemd en niet meer teruggevonden. Ook twee obiïts zijn uit de kerk gestolen.

 

In de “Beschryvinghe van de Stadt ende Landt van Dendermonde”, Jacobus Maestertius (1646), is de oudste gekende afbeelding van onze kerk te zien. Het is een dorpszicht genomen van op de Aard en het perspectief is niet helemaal correct, maar we gaan er van uit dat de weergave wel min of meer juist is. Hierbij valt op, dat vóór het koorgedeelte nog een kleine vieringtoren staat.  We weten dat die er vroeger stond, maar nog niet precies wanneer hij is afgebroken. Ook valt op dat het dak van het middenstuk veel lager is. De kerk was dus nog niet volledig hersteld. 

Maestertius, het dorp: Schellebelle (1646).

Op de weergave van het meetboek (1658) is de vieringtoren verdwenen en het dak volledig hersteld.

Landmeterboek (AR 156 / 253).

De kerk werd een eerste keer als monument geklasseerd op 3 juni 1927, maar toen bleek dat de noorderbeuk niet aan het lastenboek voldeed werd het besluit ingetrokken. Uiteindelijk werd de klassering op 27 september 1962 hernieuwd.

Bronnen:

- De Parochiekerk van Schellebelle. Adolf Uyttenhove, 1997.
- Geschiedenis van Wetteren en omliggende Gemeenten. Jan Broeckaert, 1862.
- Geschiedenis van de Gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen. Frans De Potter en Jan Broeckaert, 1890.

 

Zie ook "De Visitatieverslagen van Bisschop Triest"


Deel deze informatie: