Het kot

Het Kot omstreeks 1905.

Het gebouwtje staat bekend als dorpsgevangenis, maar een paar bouwkundige elementen verwijzen naar een toch meer genuanceerde geschiedenis. Een datumsteen vermeldt 1679.

Er zijn twee delen: een huisje en een kerkstichel of roepsteen. Deze laatste is later aangebouwd.

ALS TOLHUIS EN ROEPHUIS.

Naar onze mening was het Kot - zonder de kerkstichel - in oorsprong een tolhuis en onlosmakelijk verbonden met de perikelen rond de Schellebelse wekelijkse dinsdagmarkt.

In 1609 verlenen de Aartshertogen het bestuur van Schellebelle een octrooi om op dinsdag een wekelijkse markt in te richten.  


Op dergelijke markten werd tol geheven en moesten bulkwaren in de plaatselijke eenheden omgewogen en herafgemeten worden. Een gepast huisje is hierbij zeer welkom: de tolbediende kan er de ambtelijke functies uitoefenen en tevens is er na de markt een bergplaats om het nodige salaam te bewaren.

De aan beide zijkanten dichtgemetselde muuropeningen, met ingemetselde zandstenen en ingewerkte haken om er luiken aan te hangen, wijzen in die richting. 

Toestand 12 juli 1969. Bemerk de dichtgemetselde luikopening.

Het Kot dus met een loket waar men de administratieve markttaken kan verrichten.
Het blijft een hypothese.

 

Begin 18de eeuw gaat de markt ten onder.

In 1783 wordt er getuigd: dat de selve marct is onderbleven, ende te niet gegaen ten jaere 1709 door den orlog, ende diere ende slechte tijden. (75302).

’t Kot staat leeg.

In die tijd is het de taak van de prater (belleman, omroeper, agent) om alle verordeningen en berichten aan de bevolking mondeling kenbaar te maken. Dit gebeurt bij voorkeur na de zondagsmis wanneer er veel volk samen is. Het is daarbij handig dat je bij het uitoefenen van je taak in het droge kunt staan. Het Kot is daarvoor nu (1709) volledig beschikbaar en tevens is het op de ideale plaats gelegen: rechtover de ingang naar de kerk.

Het Kot dus als roephuis.

Mogelijks heeft het zelfs van in het begin beide functies, tolhuis en roephuis, vervuld. De locatie pleit hiervoor.

 

In 1783 zijn het blijkbaar betere tijden. De gemeente doet een aanvraag om de markt te mogen heropstarten en met succes: Ende is geinformeert / soo is het dat men mits / desen eenieder kenbaer / maekt dat den / gemelden wekelijksen / marktdag alle / dinsdagen van ieder / week sal worden / geobserveert, gecontinueert gel(ijck) / voorgaendelijk ende / dat alle personen soo / vremde als insetenen / met hun koopmanschappen / ende waren aldaer / vrijelijk sullen geadmitteert / worden om te kopen / ende te verkopen gelijck / op andere dergelijke / vrije markten ten platten- / lande deser provintie / van vlaenderen mits / betalende de gewonelijcke / rechten daertoe staende (75306).

 

Het Kot wordt weer ingenomen door de marktbedienden en ten behoeve van de omroeper wordt er in 1783 (zelfde datum!) een roephuisje (oppervlakte binnen: 1,35 m x 1,35 m; hoogte buiten: 2,75 m) op het kerkhof naast de grote ingang gebouwd: dat voortaen ende in het toecomende / alle de publicatien, ende affiscien / soo van sijne maj(estey)ts plaecaeten / Edicten, kerckgeboeden, advertentien / ende soo voorts sullen gedaen / worden ter gheestumeerde plaetse / aenden uytganck van het kerck / hof deser p(roc)hie naer de goddelijcke / diensten dat tot het beter aenhooren / van het publieq als een ieder / sullende ten dien eijnde, aldaer / gheplaetst ofte gestelt woorden een / huyscken ofte schuylplaetse omme / in regens, ende ten allen teijde / door den gonen de voors(eijd)e publicatien / doende in het droogh te connen / staen, van t’gone voors(eijd)e insgelijcx / part is gegeven tot het stellen / van het meergeseijde huyscken / als schuylplaetse hebben gheconsenteert / [aen het hooftcollegie die daer inne] / tot het construideren van tselve wij / hebben gheauthoriseert s(ieu)r Bernardus / de wint onsen mede confreur in wette … (75185).

Dit huisje staat echter drie á vier duimen over de rooilijn en moet afgebroken worden: zoo dat het zuijd-waerts onverlet de fondamenten drij a vier duijmen / ingevolghens acticulo secundo staet op de plaetse ofte merckt. (75055). (Bemerk dat het dorpsplein ook merckt genoemd wordt, het was dus een gekende marktplaats).

Ten behoeve van de omroeper wordt nu aan het Kot, langs de kant van de kerk, de kerkstichel aangebouwd en naar men zegt met afbraaksteen van het kasteel (in verval vanaf 1697, volledig afbraak in 1789).

Gedurende jaren zal dit gedeelte als openbare mededelingsplaats blijven functioneren. Op het laatst was er nog een groot schrijfbord waarop de politiecommissaris de plaatselijke verordeningen schreef en gemeentelijke aanplakbrieven aanbracht. 

Toestand 12 juli 1969. Bemerk het schrijfbord met aanplakbrief. Achter het bord is er ook hier een dichtgemetselde luikopening.

Toen het Kot in 1994 gerestaureerd werd verdween dit bord en meteen ook de laatste openbare functie. 

Toestand 2010.

De heropstart van de wekelijkse markt, in 1783, moet van korte duur geweest zijn. De Franse Revolutie staat voor de deur, het worden weer ongunstige tijden en de markt kwijnt weg.

In 1797 wordt in Lede (de vaste verblijfplaats van de heer van Schellebelle) op dinsdag een wekelijkse markt ingericht.

We kunnen er van uitgaan dat de dinsdagmarkt van Schellebelle naar Lede verhuisd is.

 

ALS DODENHUISJE.

Dat het Kot ook als dodenhuisje gefunctioneerd heeft ligt voor de hand. Niet zozeer voor mensen die thuis waren overleden, maar zeker voor drenkelingen en/of mensen die mogelijks zelfmoord gepleegd hadden.

Af en toe wordt hier in de Schelde, aan het veer, een lijk opgevist. Waar moest men er vroeger mee naartoe? In het Kot leggen natuurlijk. Het is een alleenstaand gebouw en van mogelijke lijkgeur zullen er niet veel hinder gehad hebben. Daar kan het forensisch onderzoek gebeuren om de vermoedelijke doodsoorzaak vast te stellen. Zolang men niet met zekerheid wist of de betrokkene al of niet zelfmoord gepleegd had, mocht het lichaam niet op de gewijde kerkhofgrond noch in de kerk komen. Nadat het lijk weg was kon men de luiken openzetten om te verluchten.

Het dodenhuisje naast de grote ingang op het kerkhof werd eind 19de eeuw opgetrokken.

 

ALS DORPSGEVANGENIS.

Dat het Kot op het laatst ook dienst deed als dorpsgevangenis, staat met zekerheid vast. Verschillende getuigenissen bevestigen dit. Voor dit doeleinde werd zelfs een houten brits ingemetseld. 

Binnenzicht, 1990.

Let wel, het ging hierbij hoofdzakelijk over dronkaards die de openbare orde verstoorden en door de champetter tijdelijk in het Kot werden opgesloten. Wanneer ze de volgende dag weer nuchter waren mochten ze, zonder verder gevolg, terug naar huis. Natuurlijk dienden, ten behoeve van deze functie, de zijdelingse luikopeningen dichtgemetseld te worden en hierbij werd een verluchtingsspleet voorzien. 


Volgens een getuigenis van mijn moeder mocht haar oudere broer Frans Crombeen er een paar keer zijn roes uitslapen. Vóór en na de schooltijd ging ze hem dan opzoeken waarbij ze met elkaar mondeling contact hadden en waarbij ze, langs de spleetopening, drinkwater doorgaf.  

Om er ook misdadigers van gemeen recht hun straf te laten uitzitten is het gebouw natuurlijk totaal ongeschikt.

HET BOUWJAAR.

De kerkstichel is duidelijk later aangebouwd. Naar ons oordeel in 1783 toen het roephuisje op het kerkhof moest afgebroken worden.

Een datumsteen boven de deur van het Kot vermeldt 1679, maar is dat wel het bouwjaar? Vervalsingen van data kwamen vroeger veel voor. Indien het Kot veel later gebouwd werd valt een groot deel van onze theorie in duigen.

Feit is dat het gebouw op de landmeterkaart van 1658 en vernieuwd in 1709, niet voorkomt, noch in het bijhorend meetboek.

Toch even verduidelijken dat een meetboek in de eerste plaats een kadaster is - bedoeld om de grondbelasting te innen - en op een openbaar gebouw, eigendom van de dorpsheer, werden geen belastingen geheven. In die zin hoeft dit klein gebouw niet in het kadasterboek te staan en dus ook niet op de kaart. Ook bij het klasseringsbesluit wordt vermeld dat het gebouw niet ingeschreven staat op het kadaster.


Bovendien geeft de kaart ongetwijfeld de toestand van 1658 weer, een paar vaststellingen pleiten hiervoor:

- de aanhef van het meetboek vermeldt dat de bijhorende kaarten overgenomen zijn van de grote algemene kaart uit 1658.

- bij nummer 48 wordt brouwerij “De Paele” (Het Veer) niet vermeld, gebouwd in 1668. In 1690 was Marijn Clincspoor eigenaar en in 1709 waren dit zijn oudste dochter Adriana en haar man Francies Van Doorselaer.

- op de kaart wordt de kerk nog steeds als een eenbeukige kruiskerk weergegeven terwijl in 1675 de zuiderbeuk werd aangebouwd.  

Niet alleen op de hierboven geciteerde landmeterkaart, maar ook op geen enkele oude landkaart staat het Kot aangeduid. Noch bij Ferraris (1777), noch in de Atlas der Buurtwegen (30/10/1844), noch op de kaart Vandermaelen (1846), noch op de Poppkaart (31/03/1861), zelfs niet op de kadasterkaart van 1981. Het Kot staat nog steeds niet vermeld op de stafkaart (1/20.000) van 1950, wel op de stafkaart van 1978.

Hoe dan ook, zolang we ter zake geen document terugvinden blijft het bouwjaar omstreden.

Het Kot werd in 1923 en 1994 gerestaureerd en op 28 mei 1962 als monument geklasseerd. 


Deel deze informatie: