Het parochiehuis t veer

Dit merkwaardig gebouw heeft al een lange geschiedenis achter de rug.

Daar waar het in oorsprong om een hofstede ging, verkreeg het huis alras verschillende sociale functies: brouwerij, herberg, veerhuis, vierschaarhuis, gemeentehuis en parochiehuis.

BROUWERIJ EN HERBERG.
Op die locatie staat in het landmeterboek van 1658 (AR 156 / 253) onder nummer 48:
   marijn Clinckspoor sijn hofstede suyt oost het voorgaen(de) noort west de straete naer het veir, 74 R 15½ voet. (mappen)

Van een brouwerij of een huis met een handelsnaam is hierbij geen sprake.
Gezien huisnummers in die tijd nog niet voorkwamen, waren - ten behoeve van de belastingambtenaren - alle handelshuizen verplicht om een uithangbord te hebben en een naam te dragen.
In de Staat van Goed, ingediend in 1692 na het overlijden van Marijns echtgenote (Cathelyne de Maerschalck), werd het erf omschreven als:


Item noch geconquesteert eene behuysde / hofstede gelegen binnen schellebelle / ande plaetse west den veiraert / oost de schelde suyt geert de vleesschauwer / bewoont bij den haudre, met de / schueren stallen brauwerije fruijt / ende andre boomen daer op staende (…) (75345).                           (conquesteren: verwerven).

In 1692 was er dus een brouwerij. Het erf was jaren te voren aangekocht van de erfgenamen van Geert Beirten, maar de huysyngen schueren en(de) stallen waren daarbij int ghemeen tot cavelyn(ghe) en(de) liquidatie (in onverdeeldheid) gebleven.

Allicht daarom had het echtpaar nog geconquesteert


xj Item noch een [ander] nieuwe huijs / staende opden voos(eyd)e gront binnen / huywelyck opgebaut bewoont (…) (75345).

Het huidige parochiehuis (zonder “De Toren”).

De brouwerij moet, voor die tijd, vrij groot geweest zijn. De brouwketel werd geschat op 25 pond 8 schellingen groot, daar waar de brouwketel van Geert Braye - eigenaar van den Inghele - in 1694 op 8 pond groot geprezen werd. Deze laatste brouwde dan ook cleyn bier, bier met een laag alcoholgehalte dat enkel in de eigen herberg verbruikt werd.
Elke herbergier brouwde toen zijn eigen bier.

Zoals verder zal blijken had dit handelshuis als naam: De Paele

‘Paal’ is de naam van de grote roerspaan die bij het brouwen gebruikt werd. Een afbeelding hiervan komt nog steeds voor in het embleem van brouwerij Hoegaarden.

De naam verwijst meteen naar de brouwactiviteit, dit in tegenstelling met de andere in die tijd in ons dorp gekende herberg-brouwerijen, die eerder een ander kenmerk of de herbergactiviteit benadrukten.

- Op het Dorp:

            De Swaene: (naast de Zwanewegel) verwijzing naar een vijver met watervogels. Bij het brouwproces werd het vijverwater gebruikt.

            De 3 Coninghen: (nog steeds bestaand) herberg voor reizigers.

            De Valcke: (rechtover “De Stenen Linde”) verwijzing naar jagers. 

            De Roscam: (naast de toegang tot het veer) herberg voor voermannen en hun paarden.

            Den Inghele: (waar nu het KBC gebouw staat) huis in de vorm van een winkelhaak, hoekhuis.

- In de Wettersestraat:

            Den Ruyter: (op de hoek met Ertbrug) herberg voor ruiters en hun paarden.

- Op de Hoogstraat:

            De Trompe: (plaats vroeger Maricolenklooster) verwijzing naar muzikanten.

            Den Deegen: (op het einde van de Hoogstraat) verwijzing naar krijgslieden.

- Op de Aard:

            Den Swarten Ancker: herberg voor schippers.

- In de Bruinbeek:

            Den Heireleir: huis omgeven met haagbeuk.

Bij de opsomming in de Staat van Goed van Cathelyne de Maerschalck werd de behuysde hofstede niet als herberg omschreven. Door de omvang van de brouwketel kunnen we er van uitgaan dat niet een herbergfunctie, maar bier brouwen de hoofdactiviteit was en dat het bier voornamelijk voor levering aan de plaatselijke bevolking bedoeld was. 

En dit was nodig.

Bij de “Vrede van de Pyreneeën” - 07/11/1659, het einde van de Frans-Spaanse oorlog - werd de druiventeelt voor commerciële doeleinden in de “Spaanse Nederlanden” verboden. Voordien werd er in Vlaanderen meer wijn dan bier gedronken (Ons Heem, 1972).

Op de landmeterkaart van 1658 staan, tussen de huidige Stationsstraat en de Roebeek, 11 wijngaarden aangeduid en in 1692 vermeldt de kleinhandel van Marijn Clinckspoor zelfs nog 50 stopen wijn (+/- 125 liter).

Het verbod op de druiventeelt deed de wijnproductie hier langzaamaan verdwijnen. Om de dorstigen te laven moest er nu meer bier gebrouwen worden en zo ontstond de noodzaak aan een grotere brouwcapaciteit. Bier werd in die tijd levensnoodzakelijk. Water drinken was bepaald gevaarlijk. Het oppervlaktewater was grotendeels vervuild en zich een steenput aanschaffen was een hele en vooral kostelijke karwei. Bij gebrek aan hygiënisch inzicht werden deze waterputten dan nog veelal dicht bij het huis en de beerput gegraven, zodat ook dat water bacteriologisch vervuild werd. Tijdens het brouwproces wordt het water gekookt zodat bier veilig kan gedronken worden en het werd dan ook echt gedronken om zijn dorst te lessen. Het alcoholgehalte was trouwens zeer laag, best te vergelijken met ons huidig tafelbier. Iedereen kon er dan ook liters van drinken. Het lage alcoholgehalte en het feit dat biertonnen niet luchtdicht konden afgesloten worden, bracht met zich mee dat dit bier maar zeer beperkt houdbaar was. Gezien de moeilijke transportmogelijkheden was elk dorp, zelfs elk gehucht op zijn eigen brouwerij aangewezen.

Gedurende meer dan 250 jaar zal op deze site bier gebrouwen worden. Op 28 november 1937 kwam hieraan een eind. Toen overleed de laatste brouwer Alberic Lawaet en werden de brouwersactiviteiten stopgezet.

Toestand herberg en woonhuis, 1909.

In 1956 werden de gebouwen door de parochiegemeenschap aangekocht, om ze als parochiehuis te renoveren. Bij de renovatie werd het brouwerijgedeelte afgebroken.  

Toestand brouwerijgebouw 1956.

Maar niet alles wat aan het brouwersverleden herinnert is verdwenen.

Wat verder, bij huisnummer 6, staat in de tuin nog de moutmolen uit 1867 van de vroegere brouwerij. Nog een zeldzaam exemplaar van een rosmolen zoals er vroeger wel meer voorkwamen. De molen werd voortbewogen door een paard, dat in een manege langs de buitenkant rond het gebouw liep en dat een boom aandreef die schuin over het dak met een standaardspil, die door de nok kwam, verbonden was. 


Dit gebouw werd op 11 januari 2012 als monument beschermd.

VEERHUIS.
Tijdens het Ancien Régime was de veerdienst een heerlijk recht, eigendom van de plaatselijke heer. In 1619 was herberg den Inghele samen met de ponte en het veirschip verhuurd aan Pieter de Meyere.

Na het overlijden van Marijn Clinckspoor kwam de paele in bezit van zijn oudste dochter Adriana (°1675). Ze overleed in 1711. Haar man, Francies Van Doorselaer, verkocht het erf aan Judocus Van Doorselaer die het op 30 mei 1738 doorverkocht aan de markies van Lede, heer van de twee derden van Schellebelle en Wanzele. Het werd toen omschreven als:


eene behuysde hofstede, gestaen ende / gelegen binnen de p(roc)hie van schellebelle / wesende eene heereberge genaempt de / paele,  groot van gronde volghens / den p(roc)hie landt bouck 75 R, dat met allen / de huysingen schueren stallingen brauwerije / den brauw ketel brauw cuype ende / alle den andere brauw halam (…) (7508 A).

Een jaar later werden brouwerij en herberg samen met de veerdienst verhuurd aan Gabriël De Causemaecker. Hierbij is de beschrijving:

het veir met ponte en schuyte benevens de behuysde hofstede schuere stallinghen brauwereye (...) staende neffens het voors(eyd)e veir van oudts genaempt de paele.

In 1793 was Jan Frans Lalemant huurder. Deze bekwam het goed door aankoop op 26 florial IX (16 mei 1801). Bij de verkoop was de omschrijving:

Eersten Coop

Notabele

herberge Ende Brauwereye

 

Alvooren Binnen de voor-

noemde prochie van schellebelle

 Eene schoone behuysde hofstede

Wesende herberge voortijds

genaemt De paele alsnu het

   veir en vierschaerhuys van

schellebelle, (…) (75289).

                      

 

In de herberg vond dus de vierschaar onderdak en het goed werd niet langer de paele genoemd. De nieuwe naam “Het Veer” was al enige tijd in gebruik, dit gezien de markies zijn herberg en brouwerij steeds samen met de veerdienst verpachtte.

In 1798, tijdens de Franse Tijd, werden de veerdiensten genationaliseerd. Jan Frans Lalemant bleef huurder.


Daar op het laatste bod, dat gedaan werd door de heer fran(coi)s jozef Lallemand wonende te Schellebelle, en dat gebracht werd op de som van honderd en vijf frank, niet hoger geboden werd, wordt genoemde Lallemand gegund rechten te laten gelden op de veerdienst van het veer van Schellebelle (…) (Archief ‘t Veer, 10)

Tot 1884 - met een korte onderbreking - zal de familie Lalemant pachter van de veerdienst blijven, maar stelselmatig werd de dienst aan diverse veermannen onderverhuurd.

VIERSCHAARHUIS EN GEMEENTEHUIS.
Tijdens het Ancien Régime was er geen scheiding der machten. De vierschaar functioneerde zowel als gemeentebestuur, vredegerecht, rechtbank van eerste aanleg en notariaat.

Oorspronkelijk zetelde de vierschaar in het openbaar, onder de gerechtsboom die meestal op een centrale plaats op het dorpsplein stond. Bij ons was dit “De Stenen Linde”. In de 16de eeuw werd het gebruikelijk dat de vierschaar in een herberg zetelde. Dat voor deze functie de voornaamste herberg uit het dorp gekozen werd, ligt voor de hand. Zo functioneerde herberg den Inghele lange tijd als wethuys voor de vergaderingen van dorpsnotabelen en de vierschaar. Niet verwonderlijk, in 1654 was Jacob Braye - en later zijn zoon - naast eigenaar en brouwer ook baljuw en meier van Schellebelle.

Zoals reeds hoger gemeld werd in 1793 ‘t Veer ook vierschaerhuys genoemd. Het verplaatsen van de vierschaar van “De Engel” naar “Het Veer” moet ongetwijfeld veel vroeger gebeurd zijn. Na de opstart van de grote brouwerij moet dit huis al vrij vlug aan belangrijkheid gewonnen hebben, zodat dit de voornaamste herberg van het dorp werd en de gemeentelijke diensten van de ene herberg naar de andere overgingen.

Zoals reeds gezegd was een brouwerij levensnoodzakelijk voor elk dorp. Dat dit huis en zijn bewoners dan ook in hoog aanzien stonden, ligt voor de hand. Zo werd de functie van meier of burgemeester in heel veel dorpen door de brouwer waargenomen. Ook bij ons was dit het geval. Jan Frans Lalemant was in 1803 - korte tijd na de aankoop van ‘t Veer - naast brouwer tevens burgemeester van Schellebelle en van 1830 tot 1896 hebben “de Matthysen” uit de gelijknamige brouwerij in de Wettersestraat het burgemeesterschap waargenomen.

Volgens de overlevering werd “De Toren”, ten behoeve van deze openbare gemeentelijke functie, aan het oorspronkelijk huis aangebouwd met afbraaksteen van het kasteel. Het ligt inderdaad voor de hand dat de markies van Lede - die sinds 1738 ook eigenaar van Het Veer was - voor de uitbreiding van zijn herberg afbraakmateriaal van zijn kasteel laat gebruiken. Dat was sinds 1697 meer en meer in verval geraakt om uiteindelijk in 1789 volledig te worden afgebroken. 

Toestand omstreeks 1920.

De toren gaf meteen een imposante stempel aan het uitzicht van het gebouw waardoor de belangrijkheid ervan zeker onderlijnd werd.

Tot 1897 zal ‘t Veer als gemeentehuis blijven functioneren, toen werd door de gemeente een eigen gebouw aangekocht.

PAROCHIEHUIS.
De laatste bewoonster van ’t Veer was Celine Lawaet. Ze overleed op 8 juli 1956.

Op 7 december van dat jaar werd het goed aangekocht door de toenmalige onderpastoor Nollé om dienst te doen als parochiehuis. Hierbij was geen enkele parochiale organisatie betrokken. Dit zorgde voor zware spanningen. De aankoop werd ingeschreven op naam van de vzw Parochiale Werken St. Gertrudis te Wetteren.

In 1959 begonnen de restauratiewerken en op 4 juli 1959 werd het kersverse parochiehuis plechtig ingezegend. 

Toestand 4 juli 1959.

Na het vertrek van onderpastoor Nollé, in 1967, werden onderhandelingen gestart om de toestand te normaliseren. Uiteindelijk werd in 1973 een vzw Parochiale Werken Schellebelle opgericht en werd op 24 januari 1977 de eigendom, met al de resterende lasten, overgedragen.

Op 6 november 1981 werd de nieuw aangebouwde feestzaal plechtig ingehuldigd.


Deel deze informatie: