Ons dorpsplein

DE TREK VAN DE GERMANEN NAAR HET EUROPESE WILDE WESTEN.

Al van in het begin van onze jaartelling heeft Rome het moeilijk om aan de herhaalde invallen van de Germanen aan haar noordelijke grenzen weerstand te bieden.

De druk op het Romeinse Rijk en de daarbij horende verwoestingen, zijn op de duur zo groot dat keizer Maximianus, al in 286 aan de Franken - een Germaanse volksstam die in het noorden van het huidige Duitsland en Nederland leefde - officieel de toestemming geeft om zich “in de verlaten streken van Noord-België” te vestigen. Franken zijn uitstekende boeren en ze zoeken dan ook de vruchtbaarste gronden op. Het zijn Salische Franken die onze streken zullen bevolken.

Wanneer ze hun modderig stamland (de Wadden, Rijn- en Maasdelta) verlaten, laden ze al hun hebben en houden in een wagen en spannen er een zeil erover: een huifkar. De wagens worden getrokken door ossen of ezels. Ze kennen wel het paard, het ruiter- of krijgspaard, maar nog niet het werkpaard.

De Frankische maatschappij is sterk sociaal gestructureerd: adel, geestelijken, vrijen, onvrijen en slaven. Met een paar families, onder leiding van een vir illustris en samen met hun vee, knechten en slaven gaan ze op pad. De karavaan wordt begeleid door ruiters en gidsen, om de weg te verkennen, de doorwaadbare plaatsen (voorden) op te zoeken en de karavaan tegen vijandelijkheden te beschermen.

De geschiedenis zal zich herhalen: dit tafereel is zo weggelopen uit de eerste de beste cowboyfilm, de trek van de Noord-Amerikaanse kolonisten naar het Wilde Westen.

 

DE FRANKISCHE VESTIGINGSDRIEHOEK.

Wanneer deze Frankische kolonisten ergens blijven stilstaan, om te overnachten of om hun vee een paar dagen rust te gunnen, dan zetten ze hun wagens in een driehoek met alles wat ze moeten beschermen langs de binnenkant. Besluiten ze om er te blijven - wanneer er voldoende hout, goede landbouwgrond, water en weilanden voorhanden zijn - dan laten ze hun karren staan en beginnen aan de buitenkant van de driehoek hun huizen te bouwen. Logisch, ze kamperen in hun huifkar, als caravan, terwijl ze ervoor hun huis optrekken.

Dit is de reden waarom sommige dorpen in Europa een driehoekig dorpsplein hebben: het restant van de Frankische vestigingsdriehoek, het onweerlegbaar bewijs van een Frankische nederzetting. Deze dorpen behoren tot de oudste van Vlaanderen en één daarvan is Schellebelle.

Bekijken we de oudste ons bekende weergave van ons dorpsplein - het landmeterboek van 1658 - dan is de oorspronkelijke structuur nog duidelijk te zien. Tellen we het aantal percelen, dan kunnen we er van uitgaan dat een karavaan van 18 wagens of families Schellebelle gesticht heeft.

Landmeterboek van Schellebelle en Wanzele, 1658. (AR 156 / 253) Plaetse (fol 118).
Landmeterboek van Schellebelle en Wanzele, 1658. (AR 156 / 253) Plaetse (fol 118).

WAAROM EEN DRIEHOEK?

Een driehoek lijkt evident.

Een cirkel is wel rapper geplaatst, maar een driehoek is beter verdedigbaar. Wanneer men de spitsen maximaal bemant kan men met minder volk langer weerstand bieden. Men heeft een breder werp- of schutsveld en men kan toch goed de flanken, wanneer deze niet te lang zijn, beschermen. In de middeleeuwen wordt dit principe algemeen aangewend in de verdedigingswerken van de steden en later zal de Bruggeling Simon Stevin (1558 – 1620) de toepassing hiervan nog perfectioneren.

Een verdedigingsdriehoek dus.

Er is nog een godsdienstig aspect. Zowel bij Kelten als Germanen, net zoals bij zowat alle oervolkeren, zijn het cijfer drie en de driehoek ook religieuze, heilige symbolen. Denken we maar aan de driehoekige vorm van de Egyptische piramiden, de offerplaatsen van de Inca’s, de oud-Indische tempels.

Germanen geloven in een goddelijke drie-eenheid. De drie schikgodinnen bepalen verleden, heden en toekomst van de mens en samen het leven. Dit principe van drie-eenheid wordt door de Katholieke leer overgenomen: drie goden die samen het Opperwezen vormen.

We kennen voorzeker allemaal nog de lijst die bij grootmoeder boven de ingangsdeur hing. De driehoek als symbool van de goddelijke drie-eenheid, met in het midden het alziend oog en rondom de tekst: “God ziet mij, hier vloekt men niet”. 


De goddelijke alomtegenwoordigheid. De verchristelijking van oeroude Germaanse symbolen.

Een driehoek dus met een religieuze dimensie.

 

WAAROM EEN GELIJKBENIGE VERDEDIGINGSDRIEHOEK?

Het antwoord hierop is mij onbekend. Een duidelijke en vooral dynamisch verantwoorde uitleg op deze vraag blijft tot nu toe zonder succes.

Nochtans moet de gelijkbenigheid van de driehoek essentieel geweest zijn. Want enerzijds, hoe langer de twee benen, hoe moeilijker hij als verdedigingsdriehoek bruikbaar is. Anderzijds treffen we overal een gelijkbenige en nergens een gelijkzijdige driehoek aan.

Misschien was het in oorsprong helemaal geen verdedigingsdriehoek, maar werd deze enkel door religieuze (of andere) motieven bepaald. Hoe komt het dan dat er geen algemene standaardmaten van toepassing zijn?

 

De Noormannen - en hun thuisland is toch niet zo ver verwijderd van het stamland van de Franken - kenden de Why driehoek. Bij hen is het ook steeds een gelijkbenige driehoek maar met een vaste verhouding van 1 op 3 (de heilige verhouding). Aan de basis, de korte zijde, ligt een heuvel en de offerplaats is in het midden. Hun driehoekige pleinen zijn steeds offerplaatsen en geen vestigingsdriehoeken.

Vikingdorpen hebben een vierkantig dorpsplein met bolle zijden. Waarschijnlijk gebruikten ze hun, in een vierkant opgestelde boten om er zich achter te verschuilen en toen ze besloten een tijdje te blijven werden de boten omgekeerd en dienden als dak om er onder te wonen.

Frankische driehoeken hebben geen standaardmaten. De Schellebelse driehoek heeft een verhouding van 1 op 2,2.

Behalve het aantal aanwezige wagens blijft het gissen naar de religieuze of andere motieven die de afmetingen en het uitzicht van de driehoek bepaald hebben.

 

DE SOCIALE DIMENSIE.

Over een ander paar zaken is er meer zekerheid.

Op de spits van de driehoek bevond zich het heiligdom en aan de basis was de vergaderplaats van de dorpswijzen, de notabelen, die het bestuur van de gemeenschap bepaalden.

Volledigheidshalve moet ik hier aan toevoegen dat ik die theorie in een lezing, tijdens een congres in Bokrijk eind de jaren zeventig, gehoord heb en er tot op heden ook nog geen bevestiging van gevonden heb.

Hoe dan ook, voor Schellebelle is dit een schot in de roos. Ons gemeentehuis - aangekocht in 1897 - staat op zijn historische plaats. Voordien fungeerde de herberg Het Veir en nog vroeger de herberg Den Ingele als gemeentehuis, vierschaerhuys. Allemaal locaties aan de basiszijde van de driehoek.

Om volledig in overeenstemming te zijn had de kerk meer op de spits moeten staan, maar het spreekt voor zich dat missionerende monniken, zeker in de aanvangsperiode, hun bekeringsijver wat intomen en de bestaande religieuze locaties met rust laten. Maar vlakbij voorzien ze een katholiek heiligdom en stellen dan alles in het werk om de bestaande eredienst, op bijna dezelfde plaats, van inhoud te doen veranderen.

 

Er is nog iets bijzonders aan ons dorpsplein: de dorpsboom.

Volgens de Germaanse mythologie staat in het midden van de wereld een oerboom, die met zijn wortels de aarde en met zijn kruin de wereld omspant. Deze kosmische boom, die zowel met de hemel als met de onderwereld in verbinding staat, is de bron van alle leven. Langs zijn kruin dalen de goden naar de aarde. Aan zijn voet huizen de drie schikgodinnen en, zoals al aangehaald, oordelen zij over goed en kwaad en bepalen het leven.

Dit kosmische principe passen de Franken ook toe voor de kleinere levensgemeenschappen, de dorpen die een wereld op zichzelf vormen. Zo staat in het midden van hun dorpsplein (de offerplaats bij de Noormannen) de heilige boom, als beschermboom van de hele dorpsgemeenschap, als symbolische ordening van hun wereld.

Deze boom geniet dan ook bijzondere bescherming. Er mag niet aan geraakt worden en de Schellebellenaren waren daarin dan ook zeer duidelijk: om hun dorpsboom te beschermen hebben ze er een stenen bak rond gemetseld. Zo werd de boom nadien “De Stenen Linde” genoemd. De Heemkring heeft hieraan zijn naam ontleend.

 

Voor zover mij bekend zijn het ook alleen maar de Franken geweest die dergelijke dorpsstructuren uitbouwden.

Dergelijk dorpsplein wordt ook “Dries” genoemd. Elke bewoner had het recht om er ongehinderd zijn vee te laten grazen, tot de hebberige dorpsheren alle openbaar domein als hun bezit claimden.

 

Net zoals bij andere oorspronkelijk driehoekige dorpspleinen (zoals Kaprijke b.v.) is in de loop der jaren aan het grondplan gesleuteld. Zo is bij ons de spits van de driehoek toch heel wat uitgedijd en tot een vierhoek uitgevlakt. Maar is het niet prachtig dat Schellebelle die oeroude Frankische kenmerken in zijn dorpsplein bewaard heeft: de (oorspronkelijke) driehoekige structuur, de plaats van de kerk, het gemeentehuis, de dorpsboom, de met gras begroeide Dries. In ons cultuurgebied zijn nog heel wat Frankische dorpspleinen overgebleven, maar er is mij geen enkel bekend dat zoveel authentieke elementen bewaard heeft.

Dit alleen al maakt het dorpsplein van Schellebelle zo uniek. Er bestaat geen gelijke.

 

De oudst gekende afbeelding vonden we in het landmeterboek van 1658 dat in 1709 vernieuwd werd. Naar we vermoeden is de toestand van 1658 weergegeven want een paar gebouwen die tussen 1658 en 1709 opgetrokken werden of vóór 1709 al bestonden, staan er niet op. 


- Het plein wordt mert genoemd. Het is dus een plaats waar regelmatig een markt plaatsvindt.

- “De Stenen Linde” heeft een vierkante gemetste bak rond de voet.

- Huizen met een naam (handelshuizen, herbergen): swane (n°4), ingel (n°13), roscam (n°49), valcke (n°50), 3 coninghen (n°52).

- Op n°48 is er geen vermelding van herberg en brouwerij de paele (het Veer), die zeker in 1690 al bestond. In 1690 wordt Marijn Clincspoor als eigenaar vernoemd. In 1709 waren zijn oudste dochter Adriana en haar man Francies Van Doorselaer de eigenaars.

- Rechtover de roscam en de ingel staat de staande wip.

- De veerdam wordt veeraert genoemd, op de Schelde vaart een roeiboot over.

- Over de Schelde is op palen een koord gespannen waaraan de pont hangt (niet duidelijk zichtbaar). De rivierboten zijn voorzien van een zeil aan een mast. De koord van de pont moet dus hoog gespannen worden zodat de boten er onderdoor kunnen varen. Er is maar één gespannen touw en de aanlegplaats, langs de kant van het centrum, ligt stroomafwaarts. Ook de pont hangt stroomafwaarts. Dus, ofwel was er nog geen getijdenwerking in de Schelde, ofwel werd de pont alleen maar bij eb gebruikt.

- Het dak van de kerk is volledig hersteld (vernield in 1580). Er is geen vieringtoren meer.

- De kerk wordt nog steeds als een eenbeukige kruiskerk weergegeven. In 1675 werd nochtans de zuiderbeuk aangebouwd.

- “Het Kot” staat er niet op, een datumsteen vermeldt 1679.

 

Het dorpsplein en de Zwanewegel werden op 1 januari 2012 als monument beschermd en op 11 januari 2012 werd ook het burgerhuis langs de Zwanewegel met de tuin, beschermd. 


Deel deze informatie: