Tussenbeek

DE H. NORBERTUS.

Norbertus werd rond 1080 te Gennep (Nederlands-Limburg) geboren uit een adellijk geslacht. Hij ging in de leer bij de Benedictijnen, werd tot priester gewijd en kreeg van Paus Gelasius II de toestemming om overal te prediken en godsdienstonderricht te geven.

In 1121 stichtte hij te Premonstreit (Frankrijk) een nieuwe kloosterorde. De paters van deze nieuwe orde werden Norbertijnen (naar hun stichter), Premonstratenzers (naar de stichtingsplaats) of Witheren (naar hun wit habijt) genoemd.

Kort nadien kwam Norbertus naar Antwerpen waar rond 1124 de Sint-Michielsabdij gesticht werd. Hierop volgden: Bonne-Esperance in 1126, Grimbergen in 1128, Mariënweerd en 't Park (Leuven) in 1129, Tongerlo rond 1130, Averbode in 1135 en Vrasene in 1137 dat in 1138 naar Drongen verhuisde en Ninove in 1157. Norbertus overleed in 1134.

Kort na de beginperiode werden naast de mannelijke abdijen ook vrouwenkloosters opgericht. In 1137 werd bepaald dat de twee kloostergemeenschappen totaal moesten gescheiden worden. Zo kwamen aparte Norbertinessenkloosters tot stand die wel onder de voogdij van een mannelijke Norbertijnerabdij bleven.

 

DE STICHTING.

In 1148 schonk "Roberti decani de Bella" (zoals hij naamtekent) het altaar van Serskamp met bijhorende bezittingen aan de Norbertijnen van Drongen, met de bedoeling er een vrouwenklooster te stichten.

Wij Nikolaas, bisschop van Doornik, genegen zijnde om aan een godsvruchtige vraag van Robrecht, deken de Villa, te voldoen, hebben uit jongste gegeven aan de kerk van Drongen, vrij en zonder personaat, het altaar van Cherscamp met zijne toebehoorten. ten einde aldaar een klooster van de zusters der orde van Premonstreit te stichten.

 

Rond de schenkingsakte is reeds heel wat te doen geweest, vooral rond de figuur van de schenker. Was hij een geestelijke (landdeken) of de dorpsheer van “Bella”? Die vraag blijft onbeantwoord, maar beide functies kunnen natuurlijk door dezelfde persoon waargenomen zijn. Hij was in elk geval een machtig man die veel eigendom in bezit had. Rond die tijd was het gebruikelijk dat dorpspotentaten bezittingen en inkomsten aan religieuzen wegschonken. Op die manier hoopte men zich een gunstig plaatsje in de hemel af te kopen.

Maar naast godsdienstige redenen waren er ongetwijfeld ook economische motieven.

De vruchtbaarste gronden van Vlaanderen waren reeds in gebruik genomen en het werd nu een politiek van de grootgrondbezitters om de overgebleven woeste en meest onvruchtbare gronden aan kloosterorden weg te schenken. Immers, zij hadden én de kennis én de middelen om deze gronden in cultuur te brengen. Zo werden de landbouwopbrengsten verhoogd, nam de bevolking toe en stegen meteen ook de belastinginkomsten.

Door deze schenking konden de Norbertinessen een nieuw klooster stichten waardoor een ontdubbeling van het klooster van Petegem (bij Deinze) mogelijk werd. Een ontdubbeling van een klooster was slechts toegelaten indien daar meer dan 10 zusters voor ter beschikking waren.

 

DE EERSTE VESTIGINGSPLAATS.

Het klooster kende twee vestigingsplaatsen. Algemeen wordt aangenomen dat de eerste locatie zich bevond in de omgeving van de huidige parochiekerk van Serskamp, die meteen als kloosterkerk dienst deed. Een afbeelding is er niet van gekend.

Dat Serskamp als vestigingsplaats gekozen werd is niet zo verwonderlijk. Het was voorzeker nog de meest woeste en onontgonnen streek in het domein van Robrecht van Belle. Trouwens, de naam Serskamp moet - volgens ons - verklaard worden als heuvelrug (kam) op de heide. Droge zandgrond op de hoogten en natte waterzieke gronden in de laagten en zo is het er nu nog. Het ligt voor de hand dat voornamelijk de contemplatieve kloosters deze afgelegen gebieden verkozen waar ze in rust en weg van aardse invloeden hun godsdienst konden beoefenen.

Onduidelijk is het hoe het met de verplichting van de clausuur moest (verbod aan contemplatieve kloosterorden om buitenstaanders in het klooster toe te laten - behalve uit noodwendigheid of wanneer de hulp van een ambachtsman onmisbaar was - en om zelf buiten de kloosterwallen te komen), gezien de parochiekerk ook als kloosterkerk dienst deed. Dit laatste althans is de stelling van Jules Pieters. Maar was dit wel zo, fungeerde de parochiekerk van Serskamp ook als kloosterkerk? Het schenken van het altaar van Cherscamp met zijne toebehoorten is niet letterlijk te nemen; bedoeld worden de inkomsten van de kerkgemeenschap, met name de tiendenheffing.  

Ook de juiste plaats van deze eerste kloosterlocatie blijft onduidelijk. Beweerd wordt: in de onmiddellijke omgeving van de kerk van Serskamp. Toch verwonderlijk dat van gans dit kloostercomplex in die onmiddellijke omgeving noch in het landschap, noch in de grond enige sporen terug te vinden zijn. 

We stellen ons dan ook de vraag of in de wijdere omgeving - en toch nog op een boogscheut van Serskamp kerk - de site van het Eetgoed niet als eerste vestigingsplaats kan weerhouden worden. Hier zijn toch een paar argumenten voor.

Ten gevolge van de herhaaldelijke invallen van de Noormannen was het Eetgoed, in de beginfase van zijn ontstaan, zeer waarschijnlijk een vluchtschans; weg van de bewoonde wereld, weggestoken tussen de bossen op de heide (Eetgoed moet ons inziens toponymisch verklaard worden als: goed op de heide). Toen de invallen van de Noormannen achterwege bleven raakte deze schans allicht in onbruik. Meteen was dit, én door zijn verdoken ligging én door de reeds voorhanden zijnde infrastructuur een ideale vestigingsplaats voor een Norbertinessenklooster. Norbertinessen moesten ook regelmatig vasten en vlees derven en dan waren ze op vis aangewezen. De dubbele omwalling van het goed en de bijgelegen vijvers voldeden ruimschoots aan die noodzaak.

 

DE ZUSTERS.

De Norbertinessen waren een contemplatieve orde. Ze legden de geloften af van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid.

Tot 1563 waren er twee soorten zusters, daarna waren er drie soorten.

De koorzusters (juffrouwen of kanunnikessen) leefden strikt volgens de contemplatieve regel. Ze brachten een groot deel van de dag in de kerk door met bidden en zingen. Ook vasten, stilzwijgen en gemeenschap van goederen werden hen door de orderegels opgelegd. Ze deden lichte huishoudelijke arbeid, droegen een wit habijt (zoals hun mannelijke collega's) en een zwarte hoofddoek. Juwelen of enige opsmuk was verboden. Deze zusters kwamen voornamelijk uit de hogere sociale klasse. Hun intrede ging in de regel gepaard met schenkingen aan het klooster (de bruidsschat). Sommige koorzusters brachten zelfs hun eigen dienstpersoneel mee dat ze moesten onderhouden.

Daarnaast waren er ook lekenzusters (werkzusters of conversen). Zij waren vrijgesteld van sommige godsdienstoefeningen en namen vooral de zwaardere handenarbeid op zich. Zij deden het werk op het veld, de boerderij, de brouwerij (bier was vroeger de gebruikelijke drank, het water was doorgaans bacteriologisch vervuild zodat het drinken ervan gevaarlijk was) enzomeer. Deze zusters droegen een zwart habijt met witte scapulier. Ze werden vooral uit de lagere sociale klasse aangeworven.

Door het Concilie van Trente (1563) werd de clausuur ook aan die lekenzusters opgelegd zodat er nood ontstond aan een derde soort zuster: de oblaten, werkzusters die het werk buiten de kloosterwallen op zich namen. Zij werden uit de plaatselijke bevolking gerekruteerd. Met hun schamel bezit kwamen deze werkzusters zich in het klooster vestigen dat, in ruil voor hun arbeid, de verplichting op zich nam om hen te onderhouden. Ook deze zusters legden de kloostergeloften af, maar bij het verlaten van de kloostergemeenschap werden ze ervan ontslagen.

 

DE LEIDING.

De abt van Drongen en na 1705 deze van Grimbergen, bezat het oppergezag over het klooster. Om het dagelijks bestuur waar te nemen werd een proost aangesteld. Dit was niet altijd een pater uit de abdij van Drongen. Er werd ook in andere abdijen naar bekwame mannen gezocht. Heel wat proosten kwamen uit de abdij van Ninove. Daar was reeds vroeg een verering voor de H. Cornelius. Dit verklaart meteen het ontstaan van de devotie tot deze heilige zowel te Schellebelle als te Serskamp. Naast het voorgaan in de erediensten en sacramenten was de proost ook belast met de organisatorische leiding van het klooster, het beheer van het domein, het onderhoud van de gebouwen, de zorg voor de inkomsten, het verhuren van molens en pachthoven, de uitbating van bossen, heiden, vijvers, enzomeer. Daarnaast was de proost ook nog bevoegd voor de bediening van de parochiekerk van Serskamp.

Aan het hoofd van de vrouwelijke communiteit stond de priorin. Zij was belast met het huiselijk bestuur en met de kloostertucht. De priorin noemde zich vrouwe van Cherscamp dit gezien het grootgrondbezit van het klooster. Zij stelde, al of niet samen met de proost, de meier en andere ambtenaren van de parochie aan.

 

NAAR TUSSENBEEK.

Ruim 100 jaar bleven de zusters op hun eerste locatie.

In 1258 werd het klooster overgebracht naar Billegem, vlak bij de scheylinie van Schellebelle ende Wansele op een plaats tussen de Molenbeek (Bruinbeek) en de Wellebeek (Leugebeek), Tussenbeke genaamd


Hiervoor had Walter Van Belle in 1253 door schenking en ruil de gronden beschikbaar gemaakt. Het was graaf Gwijde die in mei 1257 dit akkoord bekrachtigde.

Waarom deze overplaatsing?

De geschiedschrijving vermeldt: wegens 't vuil gekruip der slangen.

Slangen waren destijds - zeker in de ogen van streng religieuzen - een verderfelijke en duivelse diersoort. Had de slang immers niet Eva verleid in het Aards Paradijs? Echter, in ons geval gaat het niet om de inheemse ringslag maar om de hazelworm (bospaling in het dialect), een pootloze hagedis die wel 45 cm lang kan worden, zeer strek op een slang lijkt en heden ten dage rond het Eetgoed nog voorkomt. 

Maar er was nog een - en waarschijnlijk belangrijker – reden: om de luidruchtigheid van de wereldse ijdelheid te ontvluchten en zich aan God te wijden in de rust van de stilzwijgendheid.

Zoals overal elders was het klooster een aantrekkingsplaats voor allerhande handenarbeiders die zich met hun familie in de omgeving kwamen vestigen. In feite dus waren de bevolking en de dorpskern van Serskamp zich aan het uitbreiden, waardoor er voor de zusters overlast ontstond. De nieuwe locatie tussen de twee beken werd nu veel geschikter bevonden.

Meteen heeft het klooster ook een vaste naam gekregen Tussenbeke (Monasterium Intertorrentinum) een naam die het gedurende zijn verder bestaan zal blijven behouden.

In deze afgelegen plaats kende het klooster een bloeiperiode van ruim 300 jaar, waarna 200 jaar van stelselmatige aftakeling volgde.

 

TROEBELE TIJDEN.

In de tweede helft van de zestiende eeuw zijn het in Vlaanderen beroerde tijden, de godsdienstoorlogen komen eraan.

Tijdens de eerste Beeldenstorm (1566) werd de kloosterkerk vernield.

In 1577 raasde een nieuwe golf van beeldenstormers over het land en opnieuw ontsnapte Tussenbeek niet aan de vernielingsdrang. Het ganse complex werd in brand gestoken. In 1578 vermeldt de geschiedschrijving: Totalis Tusschenbeke destructio (totale vernieling van Tussenbeke). Alle gebouwen en ook het volledige kloosterarchief ging in de brand verloren. Vooraf hadden de zusters de vlucht genomen, een paar naar het begijnhof te Brugge, andere naar het klein begijnhof te Gent.

Eenmaal de storm geluwd moest Tussenbeke heropgebouwd worden en dit zal enige jaren duren. Pas in 1599 waren de gebouwen in zoverre uit hun as herrezen dat de site terug kon bewoond worden en kwamen de eerste zusters uit Gent terug. Uit veiligheidsoverwegingen schaften ze zich in Dendermonde een vluchthuis (refugie) aan, op de Cauwenbergh (huidige beestenmarkt). Dit huis zal later een Benediktinessenklooster worden.

Van het heropgebouwde Tussenbeke zijn wel een paar afbeeldingen bekend. Enerzijds hebben we de tekening in “Flandria lllustrata” (Sanderus 1644) en anderzijds de kaart uit het landmetersboek van 1658.  

Monasterium Intertorrentinum Vulgo Bekaij in pago Schellebelle. Sanderus 1644.

tgodtshuys van tusschenbeken. Meetboek Schellebelle Wanzele 1658 (fol. 431

De ingang van het complex ligt bij Sanderus onderaan en bij het meetboek bovenaan de tekening. Bij de gebouwenstructuur zijn op de tekeningen verschillen merkbaar. Voor het landmeterboek pleit dat de landmeter wellicht zeer goed vertrouwd was met de lokale situatie.   Bij Sanderus daarentegen was het de bedoeling om zijn boek met mooie prenten te illustreren zodat de lezer een beeld kreeg hoe het domein er uitzag.

 

DE AFSCHAFFING EN ONTMANTELING.

De moeilijke heropstart van het klooster en vooral de financiële aderlating die daarmee gepaard ging, bleef nawerken. Tussenbeek zal de volgende eeuwen nooit zijn vroegere luister terugvinden. Vooral de materiële welstand ging achteruit. De vader-abdij van Drongen zat zelf in geldnood en was dus niet bij machte om financieel bij te springen.

In 1705 werd het vaderschap (paternitas) overgedragen aan de abdij van Grimbergen. Van dan af ging het iets beter maar de zusters moesten toch nog regelmatig goedkope leningen aangaan en gronden verkopen om het hoofd boven water te houden.

Ondertussen zijn we in de 18de eeuw beland. De eeuw van de verlichte despoten.

Keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk had de vaste overtuiging dat ze alles voor het welzijn van haar onderdanen moest regelen. Haar zoon, Jozef II, zou dezelfde visie volgen. Hij was de mening toegedaan dat de Kerk moest losgemaakt worden van Rome en een hulpinstituut voor de Staat moest worden. Hij schafte het katholicisme als staatsgodsdienst af en voerde de godsdienstvrijheid in. Hij verbood het lijfeigenschap - waardoor de kleine boeren het heel wat beter kregen - en voerde een algemene grondbelasting in. Dit kwam vooral bij de grootgrondbezitters (waaronder de Kerk) hard aan. Hij reglementeerde bedevaarten, processies en kermissen. Toen hij zich ook inliet met de kerkzang, de kerkelijke gewaden, het aansteken van de kaarsen enzomeer, begon men hem spottend “keizer-koster” te noemen.

In 1783 schafte hij alle contemplatieve kloosters af (75266). Die achtte hij nutteloos voor Kerk en Staat. Alleen kloosters die zich met onderwijs of ziekenzorg bezighielden werden gespaard. De lijst omvatte 163 kloosters waaronder Tussenbeek.

Op 6 mei 1783 werd het edict officieel overhandigd. Er waren toen 17 koorzusters en 5 werkzusters. 

Toestand bij de afschaffing, 1783.

De bezittingen werden verkocht (75022) en de opbrengst kwam in een godsdienstfonds (de Religiekas) terecht. Dit fonds diende om de zusters een lijfrente uit te betalen, de lagere geestelijkheid te onderhouden en de parochiescholen te subsidiëren.

Aangezien Tussenbeek nogal afgelegen lag kon het gebouwencomplex geen nieuwe bestemming krijgen. De gebouwen werden afgebroken en de bouwmaterialen verkocht.

Op 15 september 1785 was het klooster totaal ontmanteld en waren de gronden beschikbaar voor de landbouw.

In 1790 werd nog een poging tot heroprichting ondernomen, zonder succes.

In 1970 deed Bert Melckenbeeck er opgravingen waarbij een waterput en fundamenten werden blootgelegd.

 

HET KLOOSTER VAN SCHELLEBELLE GEZEID “TUSSENBEKE”.

Tot op de dag van vandaag blijven Schellebellenaren en inwoners van Serskamp argumenten aandragen om het klooster van Tussenbeek op te eisen. Dat er vrijwel niets van overblijft en dat de aanspraakmakende gemeenten intussen opgegaan zijn in de fusiegemeente Wichelen heeft geen einde gemaakt aan het dispuut. Wij willen alleen het onweerlegbare historische feit vaststellen dat het klooster van Tussenbeek zich, zolang het bestond, op Schellebels grondgebied bevond.

In 1148 werd hier (in de nabijheid van Serskamp kerk) een Norbertinessenklooster opgericht op gronden geschonken door de landdeken (en heer ?) van (Schelle)belle en - naar we vermoeden - ook op Schellebels grondgebied.

De proost van het klooster was tevens bedienaar van de parochiekerk van Serskamp, maar niet altijd, ook de pastoors van Schellebelle, Lede en Impe zijn met die taak belast geweest. De meiden en knechten van het klooster waren verplicht om in de kerk van Schellebelle hun Pasen te houden en te huwen.

Rond 1258 werd het klooster overgeplaatst naar Tussenbeek, op gronden geschonken door de heer van Schellebelle. Nu is dit grondgebied Serskamp maar toen en tot aan de ontmanteling in 1785 (en dit dus méér dan 500 jaar) onbetwistbaar Schellebels grondgebied. Nochtans leeft bij velen de overtuiging dat Tussenbeek altijd op het grondgebied van Serskamp gelegen heeft en wordt er nog steeds over gesproken en geschreven als: het klooster van Serskamp. Een argument dat hiervoor wordt aangehaald is dat het nooit het klooster van Schellebelle genoemd is; maar waarom zou het? Men noemde het gewoon ’t klooster.


Noch expres naer tClooster gegaen / bij nachte, bij last van(den) bailluij om(m)e / aldaer tegaen sien ofte de Capitijnen / die naer het frans Leghere waeren / gegaen ons te veracorderen nopende / de leveryn(ghe) van(de) voors(eyde) coeijen noch / niet weder enwaeren  gecom(m)en

compt (75161).  

 

Een ander argument is dat de priorin zich vrouwe van Cherscamp liet noemen en de proost heere van Cherscamp. Dat is juist, immers het klooster was de grootgrondbezitter die het leeuwendeel van het Serskamps grondgebied in eigendom had en als dusdanig kwam die titel hen toe. Zo hadden zij ook het beslissingsrecht bij het benoemen van de gemeentelijke ambtenaren. Om de titel te dragen hoefde men niet in die heerlijkheid te wonen. De heren van Schellebelle woonden in Gent, Houffalize, Antwerpen of Lede. Pas in 1616 werden de heerlijkheden Wichelen en Serskamp gekocht door de familie de Cordes. Voordien behoorden ze tot ’s Gravens propre, en leefden ze onder het rechtstreekse gezag van de graaf.

In gans deze discussie mogen we natuurlijk niet verhullen dat Tussenbeek in de ontwikkelingsgeschiedenis van Serskamp een zeer belangrijke rol gespeeld heeft, veel meer dan dit voor Schellebelle het geval was. Uit een inventaris van 1794 (Franse Tijd) bleek dat het afgeschaft klooster toen nog 116 bunder (+/- 156 ha) grond te Serskamp in bezit had.  De tweede grootste grootgrondbezitter was Petrus Joannes Verbrugghen uit Lede en die bezat 11 bunder (+/- 14,8 ha) (75035)


Tot den 1e arti(cele)       

Geestelijke afgesetene vanden Lande

van aelst

het afgeschaft clooster van Tusschenbeke                                                              

tot schellebelle Lande van Dendermonde      B(under)         D(achwant)    R(oeden)

bezit salvo justo                                             116

 

Er nog even op wijzen dat de tekst toch vrij duidelijk is: Geestelijke afgesetene vanden Lande /  van aelst / het afgeschaft clooster van Tusschenbeke / tot (synoniem voor ‘te’) schellebelle Lande van Dendermonde. Serskamp behoorde tot het Land van Aalst, Tussenbeek en Schellebelle tot het Land van Dendermonde, daarom ook de omschrijving: afgesetene vanden Lande van aelst (buiten het Land van Aalst woonachtig).

Het klooster was ook de grote tiendenheffer van de parochie en dit bracht verplichtingen mee. Ten behoeve van de plaatselijke veeteelt moest het klooster een verre (dekstier) en een beir (mannetjesvarken) houden waarover de boeren van Serskamp gratis mochten beschikken. Een verplichting die eerst in eigen beheer gehouden werd maar later werd uitbesteed (75168).

In oorsprong was Serskamp een kleine en arme gemeente. Nog in 1794 (Franse Tijd)  getuigden de parochienotabelen: dat het gemeijnte van cherscamp seer gering ende arm is en de pastoor verklaarde zich onvermogend om een geëiste bijdrage van driehonderd gulden te betalen: waer van geleeft? Sekerlijk niet van de vervallen op de prochie / van cherscamp, daer de musschen volgens het oud spreekwoord / sterven in den ougst (vervallen: vergoedingen, fooien) (75037).

De zanderige landbouwgrond bracht er niet veel op. Nu nog zegt men spottend dat ‘in Serskamp de lochting bij de geburen waait’ en ook de zegswijze die de pastoor aanhaalde dat ‘in Serskamp de mussen van honger sterven in de oogst’ is nog steeds in gebruik.

Bij de hertekening van de gemeentegrenzen - in de Franse Tijd (1808?) - werd het grondgebied van Serskamp drastisch uitgebreid. Een groot deel van de vrijheerlijkheid Ertbrugge werd ingelijfd. Hiertegen kwam er heftig plaatselijk verzet. Immers, que l’enclavement d’Ertbrugge tant pour le civil que pour le spirituel fait partie intégrale de la commune de Schellebelle (dat de enclave van Ertbrug, zowel burgerlijk als geestelijk integraal deel uitmaakt van de gemeente Schellebelle) (75271). Ook de Proostberg, Billegem en Tussenbeek (het zuidelijk gedeelte van Schellebelle), Boeygem (een gehucht van Wichelen) en Winckel (een Schellebelse enclave binnen Wichelen) werden bij Serskamp gevoegd. Op die manier werd er een halve lus rond Schellebelle gelegd en kwam het Serskamps grondgebied tot net over de provincieweg waarop men tol kon heffen om de gemeentekas te spijzen.  

In 1818 (Nederlandse Tijd) werd nog een voorstel gedaan om Serskamp en Schellebelle te fusioneren. De gemeenteraad van Schellebelle reageerde positief (75308) maar waarom die fusie er niet gekomen is, is mij onbekend.  

 

-------------------------------------------

Bronnen:

- Geschiedenis van Wetteren en omliggende Gemeenten. Jan Broeckaert, 1862.
- Het Klooster van Serskamp, Gezeid: Tussenbeke.  Jules Pieters, 1971.
- Klooster Tussenbeke. Oord van bezinning tussen de beken. Bert Melckenbeeck, 1971.
- Over het klooster van Tussenbeek en Serskamp. Dolf Temmerman, 2005.          


Deel deze informatie: