Bellekasteel

PRAETORIUM 

Het kasteel van Schellebelle, vroeger ‘huis van Anghereel’ genoemd en later ‘Bellekasteel’, stond aan de buitenbocht van de “Oude Schelde” (een meander die tussen 1882-1886 werd afgesneden) in de Drabstraat op de linker zijde van de Roebeek waar deze in de Schelde uitmondt. Deze beek maakte tevens deel uit van de omwalling. 

Van het uitzicht is ons niets bekend, maar nog ten tijde van Lindanus (1612) en Sanderus (1641) werd het praetorium (militair hoofdkwartier, versterkte vesting) genoemd, zodat het gebouw mogelijks enigszins te vergelijken was met het kasteel van Laarne. 

Het kasteel lag op een strategische plaats, halverwege Dendermonde - Gent, in een haakse buitenbocht aan de Schelde, waardoor het de volledige scheepvaart op de Schelde kon controleren, als vooruitgeschoven militaire vesting om Gent tegen vijandige invallen te beschermen. Niet vergeten dat Gent in de middeleeuwen, na Parijs, de grootste stad was van “het Europa boven de Alpen”. 

Eén van de hypothesen is dat “Het Land van Dendermonde” - uitgestrekt langs de Schelde - kunstmatig door de graven van Vlaanderen gecreëerd werd om Gent tegen de invallen van de Noormannen (van 820 tot 883) te beschermen (1)

De bouw van het Bellekasteel paste volledig in deze strategie maar nu niet meer tegen invallen van de Noormannen, die tijd was toen al voorbij, maar tegen mogelijke andere aanvallers. Die vroegere ‘barbaren’ hadden ondertussen de bewindvoerders wel het lesje geleerd dat ze het ommeland en de toegangswegen tot de steden beter moesten beveiligen. 

Het kasteel van Laarne is in de 14de, 15de eeuw gebouwd en hield de noordelijke weg van Dendermonde naar Gent in de gaten. 

Het Bellekasteel had het enorme voordeel dat het aan de Schelde lag en derhalve toezicht op de scheepvaart kon uitoefenen en waterwegen waren destijds de belangrijkste verkeerswegen. Om dit mogelijk te maken was er naast het Bellekasteel een haven, een kade, waar de binnenschepen konden aanmeren. 

Dit alles in acht genomen en met de wetenschap dat de Schelde vóór 1210 een andere stroombedding had, zouden we de bouw van het Bellekasteel eind 13de begin 14de eeuw durven situeren, maar dit blijft voorlopig nog een hypothese. Hierbij toch nog verwijzen naar de fameuze legende over het ontstaan van de kerk. 

De heer van Schellebelle nam deel aan de vierde kruistocht (1202 - 1204), werd gevangen genomen door de Saracenen en smeekte de hemel om bijstand. Hij beloofde dat, als hij bevrijd zou worden, een kerk te bouwen dicht tegen zijn kasteel. ‘s Nachts kwam een engel, die nam hem op en zette hem neer aan de boord van de Schelde. Hij hield woord en bouwde de kerk. 

Een legende is vrijwel altijd gebaseerd op een historisch feit en in dit geval zou het betekenen dat de Schelde al ettelijke jaren vóór 1210 van bedding veranderde en dat het kasteel hier al vóór 1202 stond. 

Heerlijkheid en kasteel behoorden toe aan de ‘Heren van Dendermonde’. Het geheel was én door de strategische ligging én door de voorhanden zijnde militaire infrastructuur zeer aantrekkelijk voor de Gentse familie Bette die kasteel en heerlijkheid in 1537 aankocht. 

In die tijd waren de families Triest, Vilain en Bette het meest vermogend en vooraanstaand in Gent. Dit werd spreekwoordelijk weergegeven in de zegswijze pour être quelque chose a Gant il faut être Triste, Vilain ou Bête. 

Tot aan het einde van het Ancien Régime (1789: Franse Revolutie; 1794: inlijving bij Frankrijk) zullen kasteel en heerlijkheid - met een korte onderbreking - in handen van de familie Bette blijven. 

Het vermogen van de familie zal wel goeddeels opgebouwd zijn dank zij een ondernemende handelsgeest. Zo lezen we bij Hans Van Werveke voor wat de handel met Noord-Duitsland betreft (2)

Over deze handel beschikken we enkel inlichtingen uit de laatste periode, uit wat we het liquidatie-tijdperk zouden noemen (van 1270 tot 1343 en voornamelijk van 1288 tot 1303). Op de 144 Vlaamse handelaren, waar de boeken van de Duitse steden dan melding van maken, zijn er 105 uit Gent afkomstig. De meest genoemde handelshuizen zijn die der Bette’s en der Van der Pitte’s. 

De Bette’s dreven handel met zowat gans de gekende wereld en alles gebeurde nog per schip. Schellebelle is hierbij een vooruitgeschoven strategische pion om, naast de militaire, ook en vooral de financiële belangen van de stad en haar inwoners te bewaken. Toen het verkeer langs de weg toenam moest het Bellekasteel aan belang inboeten. 

Na de verwoesting in 1580 zal het niet meer als praetorium herbouwd worden. 

VERWOESTING 

In de tweede helft van de 16de eeuw waren het troebele tijden. 

In 1566 brak de beeldenstorm los, het begin van de godsdienstoorlogen die aanleiding gaven tot de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en de scheiding der Nederlanden. Schellebelle bleef bij deze gebeurtenissen niet van onheil gespaard. 

Als katholiek en Spaansgezind Gents magistraat schaarde de kasteelheer Jacob Bette zich aan de zijde van de Malcontenten tegen de Gentse Calvinisten. Die bleven, ondanks het Pacificatieverdrag van Gent (1576), de katholieke machtspositie in Vlaanderen gewelddadig bekampen. 

Op 19 oktober 1576 vermeldt de ‘Gendtsche Chronyke’(3):


Hieruit begrijpen we dat er Spaanse soldaten in het kasteel gelegerd waren en dat er door burgers (Calvinisten?) schransmanden in gereedheid gebracht werden om het kasteel te bestormen. Schransmanden waren korven die men met grond vulde om een verschansing te vormen. Ze werden ook in de omwalling gerold om deze te dempen vooraleer het gebouw te bestormen. Blijkbaar waren de Spanjaarden op de hoogte - waarschijnlijk door verraad - dat er belegeringsmateriaal aangevoerd werd. Met een bootje voeren ze rond in de vesten van het 

kasteel om de omgeving te inspecteren en schoten hierbij drie voerlieden dood. 

Deze gegevens bevestigen dat het kasteel een met water omwalde militaire vesting was. 

Op 6 en 7 oktober 1580 werden een dertigtal Spanjaarden door Gentse militietroepen uit het Bellekasteel verjaagd. Bij die gebeurtenis werden het kasteel, de kerk en de ganse dorpskom in brand gestoken. 

Kroniekschrijver Jan van den Vivere vermeldt hierover (4): 

Jn dit zelve jaer, ontrent den VI ende VII Octobre, trokken vijf ofte zes veendelen soldaeten uuyt Ghendt naer Schellebelle om dertich ofte vijf en dertich Malecontenten, die up het huus van Aughereelis laghen, de welcken verliepen ende staecken tvier jnt huus. Ende doen verbranden dese soldaeten, die uuyt Ghendt commen waeren, meest alle de huusen, die up de plaetse stonden, dat jammer was om hooren ende siene. 

Hieruit begrijpen we dat de Spanjaarden en Malcontenten, bij het zien van de overmacht die op hen afkwam (één vaandel omvatte ongeveer 175 man), het gevecht niet aangingen maar op de vlucht sloegen (verliepen) en daarbij het kasteel in brand staken; waarna de Calvinisten, uit pure frustratie, de kerk en dorpskom platbrandden. 

Dat de Gentse Calvinisten het nodig vonden om met een troepenmacht van pakweg 900 man naar Schellebelle af te zakken om het kasteel te veroveren en dat hun tegenstanders het nog liever in brand staken dan het in vijandige handen te laten vallen, kan alleen maar op het strategisch belang ervan wijzen. 

 

HEROPBOUW 

Tussen 1587 en 1606 werd het kasteel heropgebouwd. 

Bij zijn beschrijving van Schellebelle schrijft David Lindanus in 1612 (5)

“Habuit olim insigne ad Scaldim Pretorium, sed eo per belli turbas exciso (…) “ 

Het bezat vroeger een opvallende burcht aan de Schelde die echter door oorlogstroebelen verdween maar met een nieuw heerlijk gebouw werd versierd. De plaatselijke heer zorgde voor een nieuwe haven, (…). 

Hiervan is een afbeelding te vinden in “Flandria Illustrata” van Sanderus (1644)


en in het landmeetboek van 1658 vernieuwd in 1709 (6).


Alhoewel Lindanus en Sanderus het gebouw nog steeds ‘pretorium / praetorium’ noemen, voldoet het er helemaal niet meer aan. Er is nog wel een ophaalbrug en op de tekening van Sanderus is langs een gedeelte aan de voorkant en langs gans de scheldekant de omwalling gebleven maar het geheel lijkt eerder op een versterkt landgoed. Eveneens bij Sanderus ligt in ‘de nieuwe haven’ een platbodemschip verankerd en komen twee schepen, nog met volle zeilen toe om aan te meren. 

Zoals gebruikelijk in die tijd was het kasteel met de dorpskom verbonden door een dreef die recht naar de kerk liep. 

Jacob Bette overleefde de verwoesting van zijn kasteel en liet een nieuw bouwen. 

Hij stierf in 1591 en werd opgevolgd door zijn zoon Adriaan. Later door diens zoon Jacques. Deze stierf in 1616, vrij jong en zonder erfgenamen zodat de bezittingen overgingen naar zijn jongere zuster Isabelle. 

Isabelle Bette huwde in 1621 met Ernest D’Arschot De Riviere, baron van Houffalize. Na haar overlijden gaf haar zoon, Guillaume Adriaan Frans De Riviere op 13 augustus 1683 kasteel en heerlijkheid uit handen door verkoop aan Theodoor van Roosendael voor het omvangrijke bedrag van 34.000 gulden Vlaamse munt. 

Theodoor van Roosendael was een Antwerpse koopman die gehuwd was met Maria-Theresia de Riviere, gravin van Herve (7)

Echter, dit was niet naar de zin van Ogier Charles Francois De Riviere D’Arschot, Guillaumes oudste zoon. Die gaf aan Pieter Van Mossevelde, baljuw van Schellebelle, de opdracht om de procedure op zijn recht van naarhede te starten (8)

(…) inden naeme van den audsten zone van mher giulliam adriaen frans de riviere d’arschot baron van houffalize heere van fontaine steenlant etc heeft verclaert te leggen soo hij doet bij dezen de naerhede van de heerlijkheid van schellebelle ende wanzele voorschreven ende gelijk de selve heerlijkhede ende de preminentien gecomen is bij d’heer theodoor van roosendale (…). 

Naarhede was het recht van een erfgenaam om een verkocht erfdeel op te eisen. Het werd op het einde van het leenroerig tijdperk in het leven geroepen om de versnippering van eigendommen tegen te gaan. 

Ogier Charles bleek echter over onvoldoende financiële middelen te beschikken om het begeerde goed terug te kopen. 

Daarop zag Dorothea Briggitte Ferdinande De Croy, weduwe van Ambroise Bette, haar kans om als moeder en voogd van haar minderjarige zoon Jan Frans Bette - een neef van Isabelle - de naarhede voor haar zoon op te eisen. Echter, Jan Frans was, als neef, geen rechtstreekse afstammeling en dit vormde een juridisch probleem. Er werd geprocedeerd. Aangezien Theodoor Van Roosendael in Antwerpen gehuisvest was, vroeg en kreeg Dorothea toestemming om advies bij de Raad van Brabant in te winnen. Deze Raad adviseerde gunstig, Dorothea werd in het gelijk gesteld en Theodoor Van Roosendael moest afstand doen van zijn aankoop (8)

Op 8 december 1687 deed Dorothea, samen met haar zoon, haar blijde intrede (9). 

Na een onderbreking van amper vier jaar waren kasteel en heerlijkheid terug in handen van de familie Bette. 

Voor en tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) tussen Lodewijk XIV van Frankrijk - die al in 1665 het Vlaamse wingewest was binnengevallen - en de Weense Verbondenen, had ook Schellebelle terug erg te lijden onder de oorlogssituatie. Op 21 september 1697 vielen Franse troepen het kasteel aan en terroriseren negen dagen lang ons dorp. Wanneer ze weg trokken waren de legereenheden van de Weense Verbondenen (Brandenburgers) uit het kasteel verjaagd, het gebouw erg beschadigd en had ook de dorpskom zwaar geleden (10)

Vanaf dan ging de heer van Schellebelle definitief in zijn kasteel te Lede wonen. Het Bellekasteel werd zo goed mogelijk hersteld en verpacht als landbouwuitbating waarbij de pachter de verplichting had om permanent een kamer voor de kasteelheer ter beschikking te houden (11)

In 1732 werd, ten behoeve van de vierschaar, een schepenkamer in het kasteel ingericht. Het nodige meubilair werd aangekocht en de pachter werd vergoed om voor voldoende brandhout te zorgen (12)

In de loop der jaren geraakte het kasteel meer en meer in verval. In 1772 besloot de markies van Lede om het af te breken (12)

Ten voornoemde daege isser bij hun geresolveert alsoo sijne exellentie den heer marquis de lede heere deser prochien geintentioneert af te brecken het Casteel plaetse onser vierschaere (…), 

Het kasteel werd volledig ontmanteld, enkel nog een paar grondvesten bleven over. Bij het rechttrekken van de Schelde (de “Doorsteek” 1882-1886) zou een deel hiervan weggegraven zijn en ook in de Roebeek zouden nog een paar resten hiervan terug te vinden zijn. 

Met de afbraaksteen werd - naar men zegt - de kerkhofmuur, de kerkstichel aan ‘t Kot en de “Toren” van ’t Veer gebouwd. 

De gronden in de meander van de Oude Schelde worden “Achter het kasteel” genoemd, daarom dacht zowat elke Schellebellenaar nog tot eind de jaren zeventig dat het Bellekasteel aan de andere kant van de huidige Schelde gelegen was.

Reconstructie tekening uit het landmeetboek 1658 vernieuwd in 1709.

……………………………………………. 

(1) ‘Het Oude land van Dendermonde’, Jan Lindemans 

(2) ‘’Gent, schets van een Sociale Geschiedenis’. Hans Van Werveke, 1947 

(3) ‘Gendtsche geschiedenissen of Chronyke’ 1566 tot1585, Bernardus De Jonghe. 

(4) ‘Chronijcke van Ghendt door Jan van den Vivere’, Frans De Potter, 1885. 

(5) ‘De Teneraemonda libri tres’ David Lindanus, 1612 

(6) Landmeetboek van Schellebelle - Wanzele, 1658 vernieuwd in 1709 (AR 156 - 253) 

(7) ‘Geschiedenis van Lede’, Jozef De Brouwer, 1983 

(8) Bundel naarhede bij de verkoop Schellebelle - Wanzele (AH Mappen) 

(9) Rekeningen bij de blijde intrede van Dorothea, 1687 (AH 75000) 

(10) Geschiedenis van de Gemeenten van Oost-Vlaanderen’, de Potter en Broeckaert, 1890 

(11) Verpachting kasteel en aangelanden, 1702. (AH 75017). 

(12 ) Resolutieboek 1703-1785 (AR 156 - 246) 

Afbeeldingen: Archief Heemkring.


Deel deze informatie: