Kalkense Meersen

Dit uniek natuurgebied strekt zich uit langs de linker Scheldeoever over de 5 deelgemeenten Kalken, Overmere, Schellebelle, Uitbergen en Wetteren. De naam “Kalkense Meersen” is dus misleidend. 

Het gebied noemt al van ouds “Belham” maakte deel uit van “De Watering van Belham” en later “De Polder van Belham”. Derhalve zou “Belham Meersen” een meer neutrale en meer historisch verantwoorde naam geweest zijn. Tevens ook een correcte omschrijving waarover het hier gaat, want het is drassig weiland dat in een inham van een oude Scheldemeander ligt.


Hierbij nog vermelden dat al in 1450, niet alleen in Schellebelle maar ook in Kalken, de meersen

“Belham meersen” genoemd werden. Die selve twee dachwant meersch jn calcken belham (1).

We behandelen alleen de verbanden met Schellebelle. 

De meersen liggen gevat in en langs een grote inham van het stroomgebied van een vroegere Scheldeloop, een meander die vóór 1210 bestond. Toen sloot Arnulf Hiele, heer van Schellebelle, een overeenkomst met de heer van Dendermonde, waarbij Arnulf:

gheleghen neffens dhou schelde (3).

quartam partem pisciumin veteri scalda verwierf (het vierde deel van de visserij in de oude Schelde) (2) en in 1640 wordt ook in Kalken een oude Schelde vernoemd:


Het ‘Handboek der kerkgoederen’ van Schellebelle en Wanzele uit 1686, maakt duidelijk dat de Bellebeek en de Bornagiebocht restanten zijn van die oude Scheldebedding (4)

Het zuidelijk gedeelte op Uitbergen ligt buiten dit stroomgebied. Het is eigenlijk ook een afzonderlijk natuurgebied, onder de naam “Heisbroek” en bestaat grotendeels uit oude turfputten. 

Vermoedelijk traject van de Schelde vóór 1210.

Hierbij even vermelden dat pakweg 20.000 jaar geleden de Schelde vanaf Gent in noordelijke richting door de “Vlaamse Vallei” stroomde en, samen met de ‘grote rivieren’, in het noorden van Nederland in de Noordzee uitmondde. De oostelijke zijrivieren sloten toen via de Rupel rond Gent bij de Schelde aan. Tussen Rupelmonde en Gent was de stroomrichting dus toen in westelijke richting. Eenmaal de Schelde haar loop naar Antwerpen verlegd had, veranderde de stroomrichting. Samen met de Maas mondde ze nu, in een grote delta en een wirwar van zijarmen, ten noorden van Zeeland in de Noordzee uit (5)

Eind 12de eeuw ontstond de Westerschelde. Een klein smal riviertje: “de Honte”, had zich met de Scheldeloop verbonden waardoor een westelijke zijmonding ontstond. Door opeenvolgende stormvloeden werd de nieuwe zijmonding geleidelijk breder en dieper waardoor dit uiteindelijk de hoofdmonding van de Schelde werd. De huidige toestand. 

Deze kortere en brede monding had verstrekkende gevolgen: het zeewater kreeg de mogelijkheid om alsmaar verder en verder de Scheldebedding binnen te dringen. 

De Benedenschelde werd een getijdenstroom. 

 

GETIJDEN 

We kunnen het ons nu nog moeilijk inbeelden maar de Schelde was bij ons, in begin van de 17de eeuw, nog geen getijdenrivier en winterdijken waren er ook al niet. De waterstand van de Schelde werd grotendeels bepaald door bronwerking en neerslag en door de veelvuldige meanders was het afwateringsdebiet en de stroomsnelheid vrij gering. Bij veel neerslag nam de watermassa wel flink toe met als gevolg dat de stroom in de lager gelegen gedeelten gewoon overliep. Belham - samen met de oude Scheldemeander aan Overmere-Donk - werd in de winter één groot overstromingsgebied, één groot binnenmeer, met Uitbergen een eiland dat boven het water uitbergde en Overmere aan de overkant van dit meer; dit gezien vanuit Uitbergen, Wichelen en Berlare. 

In het midden van de 17de eeuw werd in onze streek voor het eerst getijdenwerking in de Schelde waargenomen (5). Dit nam geleidelijk aan toe. Oncontroleerbare overstromingen waren hiervan het gevolg zodat de noodzaak ontstond om de mondingen van de beken tegen hoog water af te sluiten met sluizen. Die kregen het soms hard te verduren. De ‘Veersluis’ (gelegen naast het veer, aan de monding van de Bellebeek) en de ‘Huygersluis’ (gelegen aan de monding van de Driesesloot) moesten tussen 1688 en 1748 herhaaldelijk hersteld worden. 

In 1695 was de ‘Huygersluis’ zelfs totaal vernield en moest herbouwd worden waarbij den aennemer de selve sluijse schuldich sal sijn te maecken een voet hoogher als de selve nu jeghenwoordich js (6)

In de zomer van 1703 werd er grote schade aangericht door de jnnondatie ende continnuen regen. Op de Aard waren huizen ondergelopen en was zowat de ganse hooioogst verloren gegaan. Hierbij merken we op dat er daar enkel sprake was van meersschen, terwijl het bij de gemelde schade in de rest van Schellebelle over gewassen, zoals boekweit, klaver, vlas, koren, tarwe en rogge, ging (7). De gronden op de Aard waren dus toen enkel als meersen in gebruik en niet als landbouwgrond. 

In 1726 werd de sluis van de Koningsgoot (aan Wijmeersch) door een overstroming vernield, zo erg dat zelfs de sluisdeur verdwenen was (8)

De sluizen lagen allemaal wel op Schellebelle, maar ook Overmere en Uitbergen moesten aan de bouw en reparatiekosten bijdragen. Op den duur weigerden Overmere en Uitbergen nog verder te betalen indien Schellebelle de sluizen niet beter zou onderhouden en zelf een groter deel van de herstellingkosten op zich zou nemen (8). 

 

DE WATERINGHE VAN BELHAM 

Teneinde de waterhuishouding beter te kunnen beheren werden wateringen gesticht. 


Op 16 november 1870 werd de “Wateringhe van Belham” opgericht. Het Koninkrijk besluit verscheen op 8 juli 1871. Dit bestuursorgaan beheerde op de noordzijde van de Schelde de afwatering van al de laaggelegen delen onder de gemeenten Kalken, Overmere, Schellebelle en Uitbergen. De jaarlijkse algemene vergaderingen hadden plaats in herberg “De Valk”, hier op het Dorp. Voordien was er in Schellebelle geen polder. Er waren enkel een paar zomerdijken die door de omwonenden onderhouden werden.

DE VAART NAAR KALKEN 

Eeuwenlang waren alleen de waterwegen de enige degelijke verbindingswegen, zeker voor vrachtvervoer. Vandaar ook de voortdurende inspanningen van Kalken om een aansluiting met de Schelde te hebben. Zoals al hierboven aangehaald liep de Schelde vóór 1210 in de bedding van de huidige Bellebeek naar het noorden, maakte een wijde bocht naar het westen en kwam (vermoedelijk) in Wetteren in het huidig traject. Het centrum van Kalken lag toen aan de Schelde, ideaal om handel te drijven. 

Na die loopwijziging moest, ten behoeve van de scheepvaart naar Kalken, het gedeelte van de vroegere meander (de Bellebeek) op het traject langs Schellebelle, Uitbergen en Overmere bevaarbaar blijven en dit op kosten van degenen die er profijt bij had: de parochie Kalken. Deze toestand werd op termijn financieel onhoudbaar. Ze vonden er iets op. 

Rond 1543 werd de “Steenbeek" uitgegraven. 

Deze beek ontspringt in Beervelde en loopt links langs het centrum van Kalken naar de Schelde. Het bevaarbaar maken van deze beek zorgde dus voor een veel korter traject dan dit langs de 

Bellebeek. De “Kalkense Vaart” ontstond en lag volledig op grondgebied Kalken. Meteen kon ook de waterhuishouding van de omliggende meersen beter geregeld worden. 

Al van in het begin moest de vaart voortdurend opgekuist en uitgediept worden. Maar dat was geen probleem, bereidwillige schippers stelden hiervoor gratis hun vaartuig ter beschikking (8). 

Tussen 1882 en 1886 werd “De Doorsteek” gegraven. Een Scheldemeander tussen Wetteren en Schellebelle werd doorgestoken. De Kalkense Vaart mondde nu uit in een “Oude Schelde”. Aangezien de scheepvaart naar Kalken andermaal moest gevrijwaard blijven, kwam er aan de afgesneden meander te Schellebelle een draaibrug.


In 1887, 1911 en 1924 werden hier grote werken aan de Schelde uitgevoerd. Hierbij werd de Schelde verbreed en de nog bestaande dijk van de linkeroever heraangelegd en verhoogd. Als gevolg hiervan kwamen de gronden in Belham niet meer op een natuurlijke manier onder water. 

Die jaarlijkse overstromingen lieten nochtans veel slib achter en maakte de weilanden vruchtbaar. Sindsdien werden die gronden ondergetrokken. Men liet ze van eind november tot eind februari op een gecontroleerde manier overstromen. Bij vloed werden de sluizen van de Vier Goten (Oude Schelde), de Bellebeek en de Koningsgoot opengedraaid en bij eb weer dicht. Na een paar getijden stond gans Belham en Wijmeersch blank met zo een 20 tot 50 cm. water. 

In 1977 werd “De Polder van Belham” opgericht, samengesteld uit verschillende kleinere wateringen, o.a. Belham, Leeggoed, Meerschagie, Voorde, Wijmeersch en Zeegelande. De polder werd later verder naar het noorden uitgebreid tot voorbij de E17. Hij is momenteel 5312 ha groot en strekt zich uit over de deelgemeenten: Beervelde, Heusden, Kalken, Laarne, Lokeren, Overmere, Schellebelle, Uitbergen, Wetteren en Wichelen. 

In het beheer van de waterhuishouding in deze polder speelt de Kalkense Vaart een cruciale rol. 


De oude Scheldearm en brug lagen wel op Schellebels grondgebied, maar het onderhoud van de vaarweg, de brug en zelfs het loon van de brugdraaier dienden andermaal door de Kalkenaren gedragen te worden (9).


Het werd een misrekening. Het afwateringsdebiet van de Kalkense Vaart en de Driesesloot bleek te gering om de oude stroombedding bevaarbaar te houden. Het onderhoud koste handen vol geld zodat een kosten-batenanalyse vlug gemaakt was en er werden nieuwe plannen gemaakt.


Tussen 1911–1913 werd een verlengstuk aan de vaart gegraven, recht naar de Schelde en nu helemaal op Schellebels grondgebied. Aan de monding kwam een schutsluis om schepen te versassen. Om de bevaarbaarheid te bevorderen moest het waterpeil in de vaart zo hoog mogelijk gehouden worden.


Op 20 juli 1913, daags na de oplevering, verzakte het sascomplex. Het werd afgebroken en vervangen door een nieuwe toegang met een sluisdeur die alleen bij gelijke waterstand openging.


Bovenop het complex kwam een nieuwe draaibrug, op de plaats van de Oude Schelde werd de Scheldedijk doorgetrokken en metselde men duikers “De Vier Goten” (sinds 2011 “De Twee Goten”) waarlangs toen alleen nog de Driesesloot afwaterde. 

Volgens de overlevering zou door dit gedeelte van de vernieuwde vaart ooit maar één binnenschip met Boomse bakstenen gevaren zijn dat gestrand is en ter plaatse moest ontmanteld worden. Veel scheepvaart heeft de vaart sinds haar verlenging inderdaad niet meer gekend, maar dat dit zou beperkt gebleven zijn tot één schip is toch een mythe. 

Vroeger zat er veel vis en schaaldieren in de Schelde en haar bijrivieren. Samen met een oudere broer ging Anna Crombeen (°1913 -  2004) tot begin de jaren dertig in de toen nog “nieuwe vaart” naar krabben (Chinese wolhandkrab) en krabbekesteur (steurkrab, roze garnaal) vissen. Die kwamen daar massaal voor. Zowel de krabben als de garnalen werden gevangen door een afgedankt fietswiel, waarrond een jutezak gebonden was, aan een lange stok in de vaart vast te zetten. In de zak werd een nog niet volledig afgeknaagd been vastgebonden. De krab en steurkrab werden door de geur en het vlees aangetrokken en bij het optrekken van de zak verrast. Hierbij vertelde ze dat het toch gebeurde dat ze hun fietswiel moesten binnenhalen omdat er een boot langskwam. 

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog legde ook hier het normale economisch leven lam. 

Na de oorlog gebeurde meer en meer transport over de weg. De vaart kwijnde weg, slibde dicht, overwoekerde en werd in 1958 onbevaarbaar verklaard. 

Eind de jaren zestig bestond een jongensspel erin om droogvoets de vaart over te steken. Gezien de dichte overhangende begroeiing langs beide oevers was dit mogelijk, maar droogvoets lukte het zelden.

In 1976 werd de sluis afgebroken, de vaart werd geruimd en verbreed en er kwam een eerste gemaal om de Wateringhe van Belham droog te trekken. 

Na de oprichting van de Polder van Belham was er nood aan een grotere pompcapaciteit. Het “Gemaal Belham” werd vergroot met 4 turbines die 500 m³ water per minuut in de Schelde kunnen pompen (9). 

In Wetteren-Voorde is er ook nog het “Gemaal Voorde”. Een ander en kleiner pompstation dat vooral het Wetters gedeelte van de polder droog houdt. 

 

HET VRIJGEWEI 

Nog tot midden de jaren zestig bestond ’t miënt (vrijgeweide, naar het woord: ‘gemeente’) in de gemeene meerschen van de polder. Dit waren de meersen van Belham, Langedonk, Leengendriesen en Wijmeers. Tegen 1 augustus, na de hooitijd, moesten de pachters alle mogelijks aangebrachte omheiningen verwijderen. Elke inwoner mocht dan het nagras door zijn dieren laten afgrazen. 

Dit ongehinderd rondlopen van dieren in de wijde natuur noemt men in de wilde waa luuëpen (10). Om te voorkomen dat aan andermans percelen schade toegebracht werd, moest het vee wel nog door een koeter (koewachter) bewaakt worden (11). Vanaf november werd de polder ondergetrokken en kon niemand er nog op. 

In Kalken werd dit gemeenschapsrecht in 1960 afgeschaft en in Schellebelle in 1968, maar het was toen al jaren in onbruik. Het miënt op Wijmeers was al in 1813 stopgezet (12)

Ook langs de Scheldeboorden, wegbermen en op het dorpsplein, kan iedereen nog altijd zijn vee het ganse jaar door vrij laten grazen (theoretisch toch) maar dan niet meer in de wilde waa maar vastgebonden aan de stek (ijzeren staaf die in de grond geklopt of gedraaid wordt). 

………………………………………….. 

(1) Renteboek van het derde van Schellebelle-Wanzele, 1450 (AR FM 18 - 2649) 

(2) Overeenkomst tussen de heer van Dendermonde en Arnulf Hiele, 1210 (AR FM 78 - 2633). 

(3) Renteboek van het derde van Schellebelle- Wanzele, 1640 (AR FM 18 - 2651) 

(4) Kerkgoederen van Schellebelle en Wanzele, 1686. (PAR: 274 / 1) 

(5) ‘De Schelde, Verhaal van een Rivier’. Mark van Strydonck en Guy de Mulder, 2000. 

(6) Herstel huyger- en veersluis, 1688 - 1748 (AR FM 78 - 2633). 

(7) Overstroming van de Schelde, 1703. Schadedossier, (AR 156 - 113). 

(8) Resolutieboek, 1703 - 1785 (AR 156 - 246). 

(9) “Kalken”. Eugeen Bogaert en André Van De Sompel, 1997. 

(10) Woordenboek van het Schellebels Dialect, 2007. 

(11) Getuigenis van Marcel de Grauwe, 2015. 

(12) Archief ’t Veer, nr. 51.


Deel deze informatie: