Eetgoed

Aan de oostkant van Schellebelle aan de gemeentegrens met Serskamp staat een uitzonderlijk gebouw met het uitzicht van een oude versterkte herenhoeve, het “Eetgoed”. 

Er komen verschillende benamingen voor: goed ten eede, eedegoedt, eeckgoet, heetgoed, eegoed … maar de volksmond zegt ieëgoet. De oorsprong van de naam is te zoeken in de ligging goed op de heide en in die zin zou de naam beter officieel met een “d” als “Eedgoed” geschreven worden. Een aantal toponiemen in de streek wijzen op een gelijkaardige toestand bv. in Wetteren Wetteren-ten-ede, in Serskamp de moleneed. Een der oudste toponiemen in Serskamp is proosteete, gelegen tussen de kerk van Serskamp en het Eetgoed (1) en bovendien moet de naam Serskamp, volgens ons, toponymisch verklaard worden als heuvelrug op de heide. 

Ook op grondgebied Schellebelle, in de onmiddellijke nabijheid van het goed, liggen een paar gronden met heidetoponiemen: brandemans hei en de schaapsheide. 

Naar het thans voorkomt is de oorsprong van het goed een dubbel omwalde landbouwnederzetting, zoals er wel meer in Vlaanderen voorkomen, wat kan terugwijzen naar een gemengde stroomnederzetting (boerderij + versterking) ontstaan na de invallen van de Noormannen tussen 820 en 883. Echter, op onvruchtbare grond (heide) is het niet zo verstandig om een groot landbouwbedrijf te vestigen. Op grondgebied Schellebelle was er in die periode op andere plaatsen meer dan voldoende zeer goede landbouwgrond ter beschikking, zodat we de oorsprong allicht elders moeten zoeken. 

We stellen ons de vraag of deze site niet als eerste vestigingsplaats van het klooster Tussenbeek kan weerhouden worden. 

Tussen 1148 en 1258 was het Norbertinessenklooster, dat men later Tussenbeek zou noemen, in de omgeving van de kerk van Serskamp gevestigd. 

Hier zijn toch een paar argumenten voor, maar het blijft een hypothese. 

Als reactie op de aanhoudende en gewelddadige invallen van de Noormannen - vanaf 820 komen de Noormannen onze stromen en rivieren opgevaren, tussen 840 en 860 wordt Vlaanderen voortdurend overvallen en in 879 houdt ‘het grote leger’ grote delen van Vlaanderen bezet - werden op diverse afgelegen plaatsen schansen opgericht waar voorraden werden aangelegd en waar, in troebele tijden, de plaatselijke bevolking met hun dieren hebben en houden, een veilig onderkomen kon vinden. Ongetwijfeld was het Eetgoed in zijn beginfase zo een vluchtschans (het ‘Bellekasteel’ bestond toen nog niet) weg van de bewoonde wereld, weggestoken tussen de bossen op de heide in een zeer waterrijke omgeving waar een dubbele omwalling en vijvers aangelegd werden, waar drinkwater voor mens en dier voorhanden was en waar vis voor voldoende vers voedsel kon zorgen. 

Toen de invallen achterwege bleven raakte deze schans allicht in onbruik. Meteen was dit, én door haar verdoken ligging én door de reeds voorhanden zijnde infrastructuur een ideale vestigingsplaats voor een Norbertinessenklooster. Bij het zoeken naar een geschikte kloosterlocatie zochten Norbertinessen afgelegen gebieden om in alle contemplatie, in rust en weg van aardse invloeden, hun godsdienst te kunnen beoefenen. Bovendien moesten ze regelmatig vasten en vlees derven en dan waren ze op vis aangewezen. 

De nog steeds afgelegen plaats, de dubbele omwalling en de verschillende bijgelegen vijvers voldeden ruimschoots om aan hun behoeften te voldoen. 

De ligging voldoet ook volledig aan de beschrijving van de eerste vestigingsplaats van het klooster, op gronden eigendom van de heer van Schellebelle en gelegen in de omgeving van de kerk van Serskamp. De kerk van Serskamp ligt er maar op een boogscheut vandaan en bovendien ligt de proosteete (heide van de proost) tussen die kerk en het Eetgoed, meteen een 

linkt tussen beide locaties. 

De vroegste vermelding die we van het Eetgoed terugvinden dateert uit 1391. Dan verkoopt Pieter Bette het goed ten eede aan Jan van Massemen, heer van Kalken enz. (2). In 1420 wordt diens zoon Giselbrecht van Massemen eigenaar en in 1446 is het beheer in handen van zijn weduwe Margriet van Belle (3)

Reeds in de eerste helft van de 16de eeuw komt het goed in bezit van de familie Van Heetvelde die het meer dan drie eeuwen zal behouden en het voornamelijk als buitenverblijf, maison de plaisance, zal gebruiken (1)

In de tweede helft van de 16de eeuw grijpen er belangrijke bouwwerken plaats. Er wordt een ingangscomplex gebouwd met torenpoort (datumsteen 1573), een ophaalbrug en zijvleugels waarbij aan beide zijden van de toegangspoort de wapenschilden van de familie Van Heetvelde aangebracht worden.

Toegangspoort, Armand Heins (1856-1938) Oud-Vlaanderen, Gent 1900 Op de tekening zijn de wapenschilden niet weergegeven.
Toegangspoort, Armand Heins (1856-1938) Oud-Vlaanderen, Gent 1900 Op de tekening zijn de wapenschilden niet weergegeven.

Hierbij is onduidelijk of dit inkomgebouw ook de oorspronkelijke toestand weergeeft. In elk geval krijgt het goed hierdoor wel het uitzicht van een versterkte vesting, allicht niet overbodig 

gezien onze streken in die periode erg te lijden hebben onder rondzwervende legerbenden. 

In het meetboek van Schellebelle-Wanzele uit 1658 vernieuwd in 1709, staat een afbeelding van hoe het er toen (1658) moet uitgezien hebben. 

Hierop is de dubbele omwalling duidelijk weergegeven, in het midden een vierhoekig wooncomplex met binnentuin, rechts een schuur en aan de inkom de torenpoort (sterk geprononceerd) met ophaalbrug en zijvleugels.

Folio 371 uit het meetboek (4).

Reconstructietekening uit het meetboek.

In 1801 sterft Pieter Jan van Heetvelde, gezegd Jaerens, zonder nakomelingen. 

In de loop der volgende jaren zal het domein verschillende eigenaars kennen en verder omgebouwd worden tot een herenhoeve. In een handschrift, dat we aan Camiel Van Laere (tussen 1922 en 1940 pastoor van Schellebelle) toeschrijven (5), staat daar een opsomming van. 

De vierhoekige herenwoning, die in het midden van het beluik stond, verdwijnt vóór 1840. Ook een vleugel aan de linkerkant van de toegangspoort, die haaks op de huidige stond, wordt in die periode afgebroken. Het bovenste gedeelte van de toren boven de toegangspoort is rond 1885 gesloopt en rond 1890 de omwalling gedempt. 

Van Laere vermeldt ook nog dat boven beide wapenschilden aan de toegangspoort een bas-reliëf van een vrouwenhoofd was aangebracht. 

Vanaf 1850 is de familie De Naeyer pachter van de herenhoeve, waarna het goed in 1919 door Joseph De Naeyer wordt aangekocht. De laatste bewoonster van deze familie, Celestine, sterft in 1986. Het goed werd terug verkocht en is in 1996 grondig gerestaureerd.

Postkaart, J. Vermeiren, 1910

………………………………………………. 

(1) ‘Het Eedgoed’, Robert Ruys, 1991 

(2) Geschiedenis van de Gemeenten van Oost-Vlaanderen’, de Potter en Broeckaert, 1890 

(3) ‘De familie van Belle, heren van Schellebelle, in de 14de en 15de eeuw', Luc Deprost 

(4) Meetboek van Schellebelle - Wanzele, 1658 vernieuwd in 1709 (AR 156 - 253) 

(5) ‘Wetteriana viiic’ Het Eedgoed. 

Afbeeldingen: Archief Heemkring.


Deel deze informatie: