Watermolen

DE HERNIEUWBARE ENERGIE UIT HET VERLEDEN 

De discussie over hernieuwbare energie wordt heden ten dage op de diverse terreinen gevoerd. Hierbij staat vooral de elektriciteitsopwekking door zonnepanelen en windturbines in de belangstelling. Wat, bij mijn weten, in nog geen enkel forum ter sprake kwam is het feit dat, tot pakweg 200 jaar geleden, alle energie hernieuwbaar was. 

Eeuwenlang kenden we maar drie energieleveranciers: spierkracht van mens of dier, wind- en waterkracht. Die laatste krachtbronnen werden vooral via molens in bruikbare energie omgezet. 

Het is nog maar een fractie van wat het ooit geweest is, maar Vlaanderen bezit nog steeds een belangrijk molenpatrimonium dat bv. voor elektriciteitsproductie ter beschikking staat maar onbenut verder in verval raakt. 

Rosmolens worden door dierlijke spierkracht aangedreven, voornamelijk afkomstig van een paard of ezel. Bij een boter- of karnmolen werden honden gebruikt (thans verboden). 

Het concept van de windmolen komt uit het Midden-Oosten en werd waarschijnlijk door de eerste kruisvaarders meegebracht. 

In ”Le Veil Rentier d’ Audenarde” (rond 1275) staat één van de oudst gekende afbeeldingen van een windmolen in onze contreien. Het is een staakmolen met alles erop en eraan, zoals we deze nu na al bijna 800 jaar kennen. 


De constructie van een watermolen is veel eenvoudiger en het gebruik ervan is waarschijnlijk ook veel ouder. Alhoewel de ouds gekende afbeelding bij ons - samen met een staakmolen - te vinden is in handschrift 1175 van de Albertina en ook al van rond 1275 dateert. 

In “Brieven uit mijn bakhuis” maakte Jozef Weyns er in 1967 een tekening van.


Watermolens werden vooral aan beken met een constant debiet geïnstalleerd. 

Naargelang de aandrijving onderscheidt men boven- of onderslagmolens (het water stroomt langs boven of langs onder het molenrad). In onze gekende beekvalleien resten er ons nog prachtexemplaren. 

Er is echter nog een derde type van aandrijving dat in stroombekkens met een gering verval dienstig is: de turbinemolen. Hier ligt het rad horizontaal in het water en wordt door het langsstromende water aangedreven. Dit soort watermolen is eerder zeldzaam. 

Aan getijdenrivieren in het laagland kwamen ook nog getijdenmolens voor: bij vloed stroomde het water in een waterbekken en werd gestockeerd waarna men bij eb het opgeslagen water over of onder een waterrad liet lopen. Dergelijke molens waren 12 uur per dag in gebruik ze waren niet afhankelijk van neerslag en kenden geen watergebrek bij droogte of wanneer bv. in een watergang een stroomopwaartse molenaar te veel water voor zichzelf had gestockeerd en “over zijn peil” gegaan was en dus waren getijdenmolens veel bedrijfszekerder. 

In Frankrijk zijn er nog verschillende in werking, o.a. “Moulin du Prat” op een zijarm van de Rance in Bretagne. 

Bij ons ligt, bij mijn weten, aan de Vliet te Rupelmonde de enige site van een getijdenmolen die Vlaanderen nog rest, maar ooit kende het Scheldebekken meer dan 32 van dit soort molens. 

 

DE MOLENS VAN TUSSENBEEK 

Een molen bouwen was niet voor de gewone sterveling weggelegd, het was een heerlijk recht en kwam de dorpsheer toe. Maar ook grootgrondbezitters en instellingen, zoals kloosters en abdijen, konden een octrooi verwerven. 

Zo had het Norbertinessenklooster van Tussenbeek drie molens in bezit. 

Een houten korenwindmolen, staakmolen, die stond op de Moleneed (een enclave van Ertbrug binnen Serskamp) en werd in 1942 afgebroken. 

Op de Molenbeek bezat het klooster twee watermolens, de nog bestaande ‘Rombautsmolen’, gelegen te Wanzele op de grens met Lede en de nog bestaande watermolen in de Bruinbeek, destijds boyghem meulen genoemd naar het gelijknamig gehucht waarin hij gelegen was. 

Boeygem was een enclave van Serskamp en lag ingesloten tussen Wichelen en Schellebelle. In 1810 werd aan de scheylinie van Schellebelle ende Wansele een corridor gecreëerd waarbij een gedeelte van Wanzele, Wichelen en Schellebelle (waaronder de site van Tussenbeek) bij Serskamp gevoegd werd. Op die manier kreeg Boeygem een geografische aansluiting bij het centrum van Serskamp. 

Tussen beide watermolens stond nog een derde molen op de Molenbeek, de waelmeulen

In sommige geschriften wordt Boeygemmolen ook Waalmolen genoemd, maar dat is fout. De waelmeulen was/is de nog bestaande molen aan de Watermolenweg te Wichelen en was geen eigendom van Tussenbeek. 

Dus oorspronkelijk lag de boyghem meulen op Serskamp.

Reconstructietekening uit de landmeterkaart Schellebelle - Wanzele 1658 (AR 156-1)

Bij de herindeling van de gemeenten (1810) werd de Molenbeek ook op die plaats als gemeentegrens genomen en werd het Serskamps gedeelte op de linkeroever, waaronder Boeygemmolen, bij Schellebelle gevoegd. 

Door keizer Jozef II werden in 1783 alle contemplatieve kloosters - en dus ook Tussenbeek - afgeschaft. Op 6 mei 1783 werd het edict officieel overhandigd waarna de verkoop van alle kloostereigendommen kon beginnen. 

De drie molens werden op 18 september 1783 per opbod verkocht. 

Boeygemmolen werd hierbij omschreven als:

Alvooren een huys, schuere ende stallingen met eenen Cooren water molen ende olie stampkot groot in gronde onder Landt meersch ende water volgens de Caerte figuratief gemaekt bij den landmeter J. van der meulen tot lede den 21 junij 1785 bekent onder N° 1 tot 284 Archief Heemkring nr. 75022

Het was dus een gecombineerde graan- en oliemolen. 

Olie werd destijds uit lijn-, kool- of raapzaad gewonnen. Soms ook uit noten. 

De zaden werden eerst in een kollergang onder twee zware verticaal ronddraaiende stenen geplet, dan opgewarmd waarna de olie uit pulp geperst werd. Dit gebeurde door middel van een wig die tussen de banden, waarin de pulp was opgeslagen, geklopt werd. Deze bewerkingen moesten twee keer gebeuren. 

Op YouTube zijn verschillende filmpjes te zien die tonen hoe het in zijn werk ging. 

Het is door het kloppen dat een dergelijke molen ook stampkot en slagmolen genoemd werd. 

De molen werd ook verkocht: met den last van het onder houden der bruggen van de straete leydende van de prochie van Schellebelle naer de prochie van Wichelen mitsgaders met den last van het onderhouden der Beke straeten Bruggen ende sas, emmers generaelijk met alle de lasten sienelijke ende onsienelijke servituten waer aen het voornoaemt gesupprimeert clooster der Norbertinnen tot Tusschenbeke ter causen van den selven meulen ende grond soude konnen ofte mogen subject geweest sijn (…) 

Uiteindelijk, na drie zitdagen en verschillende hogere biedingen, werd de watermolen op 17 oktober 1785 verkocht aan Felix De Smet uit Erpe voor 6.300 gulden. Al het draaiende werk was op 1.113 gulden geschat en moest bijkomend betaald worden. Molenaar-pachter was toen Adriaen de Graef. 

Volgens gegevens uit de “Inventaris Onroerend Erfgoed” was, omstreeks 1830, de molen nog enkel als olieslagmolen in gebruik en toen in bezit van Pierre D’haese die hem in 1844 verkocht aan Dalschaert-Van Hauwermeiren, olieslager te Schellebelle. 

De huidige gebouwen dateren van rond 1840-1850 en zijn opgetrokken rond de eeuwenoude molenkern. Later werd in de molen terug een steenkoppel geplaatst om graan te malen en werd de oorspronkelijke onderslagmolen omgebouwd tot de huidige turbinemolen. Van dit soort molens zijn er maar weinig overgebleven, het rendement ligt veel hoger dan bij de klassieke boven- of onderslagmolens. 

In 1872 werd de molen vergroot en een stoommachine geplaatst. Van dan af werd de hernieuwbare waterenergie gecombineerd met fossiele brandstof. Men sprak dan over een olie- water- en stoommolen. In 1887 werd de stoommachine door een dieselmotor vervangen. 

In 1904 werd de molen door Prosper Van Hauwermeiren aangekocht. Vanaf 1923 werd het een gecombineerd bedrijf waar naast de nog bestaande muldersactiviteit ook veevoeders verhandeld werden. Tot 1972 hield de laatste molenaar Prosper Pappaert de molen nog in werking maar van een watergebonden activiteit was er al lang geen sprake meer. 

De molen werd achtereenvolgens: Boeygemmolen, Van Hauwermeirenmolen, Pappaertmolen en Bruinbeekmolen genoemd.

Armand Heins (1856-1938). Oud-Vlaanderen, Gent 1900.

Op 17 december 1994 werd het ganse molencomplex als monument beschermd waaronder de omliggende site. 

Dit laatste hoeft niet te verwonderen. In onze jeugd had de watersite een feeërieke uitstraling. Met de ganse klas trokken we toen naar ‘de waterval van de Bruinbeek’ op bezoek. 

Ook Armand Heins vond het een pittoreske plaats, rond 1910 maakte hij er een idyllische ets van.


Deel deze informatie: